| ACHTERGROND |
terug naar
index Achtergrond |
Door Leendert Roosenbrand (voor Noticias)
| 03-08-2006 |
De Bijbel onder de mangoboom
Huiskerken, vooral van de pinkstergemeente, schieten de laatste vijftien jaar als paddenstoelen uit de grond in Cuba. Een deel van de samenleving trekt zich binnen kerkmuren terug, weg van de revolutie.
De casa-culto, de huiskerk van de Asamblea de Dios ligt net buiten het stadscentrum van het Cubaanse stadje, aan de rivier, verscholen tussen een paar huizen. Alleen een onopvallend, met glasscherven in de muur gemetseld kruis verraadt dat hier drie avonden in de week een gemeente samenkomt. De kerk, een goedkope constructie van staal, bakstenen en golfplaten, is drie jaar geleden gebouwd. Daarvoor kwam de gemeente in de open lucht samen, onder de mangoboom die er nog altijd staat en af en toe midden onder een kerkdienst met een harde knal een rijpe mango laat vallen.
Sara, een 46-jarige vrouw die naast de kerk woont, vertelt dat onderaan deze boom het zaadje werd geplant waaruit de kerk groeide. Toen ze nog een meisje was, of zoals ze zegt: ‘toen de bijbel nog vervolgd werd’ raakte ze bevriend met een jonge arbeider die haar vaak over God vertelde. Op een dag vroeg hij haar zijn bijbel te verstoppen. De staatsveiligheidsdienst zou hem komen halen en als hij met een bijbel betrapt zou worden, zou zijn straf hoger uitvallen. Sara begroef de bijbel onder de mangoboom. Toen de arbeider tien jaar later werd vrijgelaten kwam hij, voordat hij naar de Verenigde Staten ging, langs om zijn bijbel weer op te halen. ‘Toen werd het zaadje geplant en daaruit groeide drie jaar geleden deze kerk’ vertelt Sara breed glimlachend. ‘Nu mogen we weer een relatie hebben met Christus, we mogen de bijbel lezen en een kerk hebben’.
Als paddenstoelen
Sinds de rebellen onder leiding van Fidel Castro in 1959 het regime van dictator Batista omverwierpen, is er in Cuba veel veranderd. Werd religie tijdens het eerste congres van de Cubaanse Communistische Partij (PCC) in 1976 nog omschreven als een vals bewustzijn, een onderdrukkingsmiddel van de heersende klasse waarvan mensen bevrijd zouden moeten worden; in 1991 werd tijdens het vierde partijcongres van de PCC besloten dat christenen partijlid mochten worden. In datzelfde jaar werd een grondwetswijziging doorgevoerd waardoor het eiland niet langer als ‘atheïstisch’ maar als ‘seculier’ werd omschreven. In de 46 jaar die de Cubaanse revolutie nu al duurt zijn de religieuze vrijheden geleidelijk toegenomen.
Vanaf begin jaren negentig zijn de Cubaanse evangelicos (protestanten) fors in aantal toegenomen. De pinksterkerken hebben daarvan, net als op het Latijns-Amerikaanse continent, het meest geprofiteerd. Betrouwbare statistieken zijn er niet, maar de schattingen voor de verschillende protestantse denominaties lopen uiteen van een voorzichtige 4 procent van de bevolking tot, waarschijnlijk meer realistisch, 10 procent. De grootste pinksterkerk op het eiland, de Iglesia Evangélica Pentecostal, vertienvoudigde haar ledental in de jaren negentig van 5.000 naar ruim 50.000. Op dit moment telt Cuba tussen de vijftien- en twintigduizend huiskerken waar elke week gemiddeld zo’n twintig à dertig mensen samenkomen. In de oostelijke provincies is de groei het spectaculairst: in Moa zou ruim 35 procent van de bevolking actief betrokken zijn bij een van de protestantse kerken. In Baracoa zelfs 65 procent. Religie is, kortom, allang geen stiekeme aangelegenheid meer zoals in de beginjaren van de revolutie.
Sinds enige tijd lijkt er echter sprake te zijn van een omslag. De overheid probeert het religieuze leven op het eiland strenger te reguleren. Voorbeelden daarvan zijn het sluiten van een groot aantal huiskerken in 1995 (zogenaamd als gevolg van geluidsoverlast of het niet naleven van andere wettelijke bepalingen) en de onlangs van kracht geworden Directivo 43 en Resolucion 46. Deze wetten eisen dat alle huiskerken zich officieel inschrijven bij het ministerie van Justitie. Deze maatregel zal de overheid meer mogelijkheid bieden om religieuze activiteiten te controleren, iets wat voorheen niet zo makkelijk was vanwege het informele karakter van de huiskerken.
Afzijdig
De houding van de Cubaanse kerken ten opzichte van het regime varieert van pro-Castro tot onverbloemde kritiek. Enerzijds is een dr. Biscet, lid van de Iglesia de Cristo die in 2003 samen met 74 andere dissidenten werd gearresteerd. Anderzijds is er een Raul Suárez die zitting heeft in het Cubaanse parlement en daar ‘het werk van Christus [doet], we prediken het evangelie en proberen de problemen in onze samenleving op te lossen in samenwerking met de regering.’
Van de 54 protestantse kerkgenootschappen zijn er 24 lid van de CCI, een soort raad van kerken. De CCI-leden hebben zich verbonden aan het revolutionaire project in Cuba. Ze krijgen gemakkelijker toestemming om een kerk te verbouwen, te renoveren of een nieuwe kerk te bouwen en om naar het buitenland te reizen. Deze samenwerking tussen kerk en staat is volgens Fidel Castro het bewijs dat er van religieuze onderdrukking in Cuba geen sprake is. Volgens critici zijn de kerken die lid zijn van de CCI opportunisten die zich voor het communistische karretje laten spannen.
Verreweg de meeste kerken echter, en zeker de pinkstergemeente, houden zich afzijdig. De leden van de Asamblea de Dios , bijvoorbeeld, praten niet graag over de politieke situatie op het Caribische eiland. ‘Wij respecteren het wereldlijk gezag en houden ons aan de wetten die in dit land gelden, maar ons koninkrijk is niet van deze wereld,’ is de gebruikelijke reactie. Dat betekent niet dat ze er geen mening over hebben. Bij de mensen thuis kun je wel eens praten over Fidel Castro, de revolutie en de problemen die het leven op dit eiland met zich meebrengt. Maar vaak gebeurt dat niet, en pas wanneer men zeker weet dat er niemand meeluistert. Veel liever praten ze over hoe God hun leven heeft veranderd. Geen gelegenheid laten ze onbenut om te getuigen. Jezus is voor deze mensen een grotere held dan Ché Guevara. Foto’s van de revolutionaire held zijn afwezig in de huizen van kerkleden. De revolutie die Jezus in hun hart heeft veroorzaakt, is voor hen belangrijker dan de revolutie van 1959.
Revolutionair project
Ruimtes waar de politiek afwezig is zijn zeldzaam op Cuba, waarschijnlijk de meest gepolitiseerde samenleving ter wereld. Op elke straathoek en op elk televisie- en radiostation komt je revolutionaire propaganda tegemoet. Overal hoor je de lofzang op het Cubaans socialisme en de zegeningen die de revolutie heeft gebracht. !Socialismo o Muerte! In de meeste pinksterkerken is er van dat alles echter niets te merken. Het zijn vrijwel de enige niet door de staat beheerste segmenten van de Cubaanse samenleving, de enige plaatsen waar je de politieke leuzen kunt ontvluchten. Een politiek die haar glans heeft verloren en waarin de meeste Cubanen niet meer geloven. Zonder de door de staat gestelde grenzen al te opzichtig te overschrijden, creëren de kerken ruimtes waar mensen actief kunnen zijn voor een zaak waar ze wél achter staan.
Het sluit naadloos aan bij de weg die de meeste Cubanen kiezen. Zonder zich actief te verzetten tegen de revolutie manoeuvreren ze zich naar de politieke marge, opdat ze in de luwte van het systeem kunnen leven zoals zij dat willen. In die zin duidt de groei van de kerken op Cuba stilzwijgend op het ideologisch failliet van de revolutie. Actief verzet komt van een kleine groep dissidenten, die daarvoor veelal een hoge prijs betalen.
Toch, voor een overheid die met niet aflatende energie iedere Cubaan probeert te incorporeren in het revolutionaire project, zijn zelfs apolitieke kerken reden tot bezorgdheid. Met maatregelen als Directivo 43 en Resolucion 46 probeert de regering verloren terrein terug te winnen. Zo hoop ze weer greep te krijgen op het deel van de Cubaanse samenleving dat zich binnen de kerkmuren terugtrekt. Immers, op de voordeur van de huizen van veel christenen in Cuba staat niet !Socialismo o Muerte!, daar staat Solo Cristo salva.
|
|
|
|