info noticiashome
 

Met daarin onder meer:

REDACTIONEEL
- Af en op

ACTUEEL
- Venezuela op drift
- Echar Chispa
- Op Condorjacht vanuit Guatemala
- Essay: succes van de democratie
- Latino's in Nederlandse politiek
- Kort Latijns-Amerikaans

PORTFOLIO
- Ximena Davalos 

CULTUUR
- Thuiszorg Brazilië
- Monument in Colombiaanse jungle
- Echar Chispas
- Uitgelezen
- Salsa Céltica
- Kort Latijns-Amerikaans
- Agenda

Het volgende nummer van LA Chispa
zal eind juni verschijnen

REDACTIONEEL  Cora van den Berg
Af en op

Ik had het Latijns-Amerikaanse nieuwtje bijna gemist. Toevallig had ik net een paar dagen de kranten niet gelezen (moe als ik was van alle ellende in deze wereld). Tijdens de eindredactie van LA Chispa las ik de stukken voor dit nummer door. 'Het afzetten en weer aantreden van de Venezolaanse president', las ik in de intro van één van de artikelen. Dat moet een foutje zijn, dacht ik, met het nieuws van Chávez' afgang vers in mijn achterhoofd. Maar zo snel kan dat soms gaan. Binnen een paar dagen zat hij weer op het pluche. 

Niet dat Chávez en zijn medebestuurders bereid zijn toe te geven dat ze fouten hebben gemaakt. Waar het kabinet Kok valt vanwege een gevoel van verantwoordelijkheid, ontkennen de Venezolaanse bestuurders iedere misstap en verdraaien de feiten om hun gelijk te halen. Het Venezolaanse volk echter heeft wel degelijk weet van de begrippen verantwoording en verantwoordelijkheid. Niet voor niets kwamen de mensen massaal in actie om het aftreden van Chávez te eisen, die in hun ogen niets heeft waargemaakt van zijn beloftes. In de praktijk heerste hij als een dictator, die beweerde in naam van het volk te handelen, maar datzelfde volk geen enkele inspraak toestond. 

Het gevoel voor democratie, hoe mager die democratie dan ook is, lijkt bij de Latijns-Amerikanen te beklijven (zie het 'essay' in dit nummer, een genre dat LA Chispa de komende tijd vaker zal hanteren). De Venezolanen wilden dan wel in meerderheid van Chávez af, een militaire coup met een werkgeversbaas als president stond níet op hun verlanglijstje. Dus is Chávez weer terug. Wat echter niet betekent dat hij op de oude voet kan doorgaan. Dat zal het volk hem niet meer toestaan. Hopelijk worden de conflicten niet met geweld opgelost. In Nederland mag de premier dan wel zijn verantwoordelijkheid nemen, maar ook ons land kent sinds kort het verschijnsel politieke moord.


VENEZUELA OP DRIFT Peter Desmet

Wie enkele maanden geleden dacht dat de Argentijnse politieke soap onevenaarbaar zou zijn heeft ongelijk gekregen. In Venezuela hebben Hugo Chávez en zijn tegenstanders een hallucinant huzarenstukje stuivertje wisselen opgevoerd.

Toen president Hugo Chávez in de eerste week van april de bedrijfstop van Petroleos de Venezuela verving door eigen vertrouwenspersonen, sloeg de vlam in de pan. Vakbonden en werkgevers kondigden prompt een nationale staking af vanaf maandag 8 april. In de erop volgende dagen lag de hoofdstad Caracas zo goed als plat. Het leek erop dat werkelijk iedereen aan de stakingsoproep gehoor had gegeven. Internationale waarnemers verklaarden later in de pers dat slechts 60 tot 80 procent van de werknemers de stakingsoproep had opgevolgd. Dit zou onder meer komen doordat op last van de regering in alle openbare diensten een aanwezigheidslijst ingevuld moest worden. Bovendien bleven veel werknemers gewoon thuis, omdat ze dat veiliger leek dan terecht te komen in één of andere gewelddadige manifestatie. 

Al maandenlang kreeg het regime van de Venezolaanse president steeds meer kritiek te verduren. Het eigengereide optreden van de populistische Chávez had er zelfs voor gezorgd dat de vakbonden en de werkgeversorganisatie Fedecamaras een gelegenheidsfront tegen hem vormden. In maart verhitte Chávez de gemoederen door aan te kondigen dat hij de bedrijfstop van Petroleos zou vervangen. Dit bedrijf ontstond begin jaren zeventig, toen de vroegere president Carlos Andrés Pérez de olie-industrie nationaliseerde. Sinds haar bestaan vormde Petroleos een staat binnen de staat, wat verklaarbaar is gezien het uitzonderlijke belang van aardolie voor de nationale economie. Door zijn eigen mensen aan te stellen in het bedrijf, ging Chávez weer een stap verder met zijn Plan Bolívar om zoveel mogelijk militairen in te schakelen in civiele, leidende taken. 

Militaire junta 
De grote manifestatie van de verenigde oppositie op donderdag 11 april zorgde voor de heetste week in de Venezolaanse politieke geschiedenis. Ze was tevens de opmaat voor het ingrijpen door een militaire junta in de loop van donderdagnacht. Met een opkomst van ruim een half miljoen manifestanten bleek de mobilisatiekracht van de oppositie verrassend groot. De zaken liepen uit de hand toen gewapende leden van de zogenaamde Círculos Bolivarianos, aanhangers van Chávez, pistoolschoten afvuurden op de betogers. De balans was bloedig, maar liefst 24 personen overleden. Chávez liet de uitzendingen van de Venezolaanse televisiestations die deze betoging rechtstreeks op antenne brachten prompt uit de ether halen. Maar het kwaad was al geschied. De beelden waren overal te zien geweest en opgepikt door buitenlandse televisiestations.

Donderdagnacht oordeelden de militairen dat het welletjes was geweest. Legergeneraal Efraín Vásquez Velasco verscheen op televisie als leider van een militaire junta. Hij bracht het nieuws dat de vele doden onder de betogers voor het leger de reden waren om president Chávez aan te manen ontslag te nemen. De president was inmiddels door het leger in verzekerde bewaring genomen. Naast Velasco maakte ook generaal Luis Camacho Kairuz, onderminister voor veiligheidszaken in de regering Chávez, deel uit van de junta. Enkele uren later kondigde een woordvoerder van de nieuwe militaire junta aan dat Chávez had ingestemd met zijn ontslag en dat er een civiel-militaire overgangsregering gevormd zou worden die het bewind zou overnemen. Op zaterdagmorgen werd Pedro Carmona, voorzitter van de werkgeversorganisatie Fedecamaras, ingezworen als nieuwbakken president. Carmona kondigde aan dat Cuba geweigerd had aan Chávez asiel te verlenen. In één adem voegde hij eraan toe dat de goedkope olieleveringen aan Cuba opgeschort werden, dat Venezuela terugkeerde naar de grondwet van 1998 en dat de Bolivariaanse republiek dus ten einde was. Presidentiële verkiezingen zouden eind 2002 gehouden worden en in 2003 zou er een nieuw parlement gekozen worden. Maar aan het eind van dezelfde zaterdag was de politieke carrière van Carmona al weer afgelopen. 
De medestanders van Hugo Chávez kwamen in de loop van zaterdag met tienduizenden uit de sloppenwijken naar het centrum van Caracas om de terugkeer van hun president te eisen. Ook het parlement en het Hooggerechtshof lieten van zich horen. Beide instellingen beriepen zich op het feit dat ze democratisch gekozen waren en dat ze niet zomaar opzij gezet konden worden. In de loop van de middag en avond zwol het protest van de aanhangers van Chávez zo aan dat het leger op haar schreden moest terugkeren. De ministers van Chávez zagen hun kans schoon om weer het initiatief te nemen. Ze verklaarden de overgangsregering onwettig en live op televisie zwoeren ze de vice-president Diosdado Cabello in als president. Hij zou maar zes uur president blijven. Want ondertussen bracht het leger Hugo Chávez per helikopter terug van een eilandje voor de Caribische kust van Venezuela waar hij al die tijd was vastgehouden. De leden van de overgangsregering, de participerende militairen incluis, werden gevangen genomen. Voor het oog van de televisiecamera's maakte Chávez een triomfantelijke herintrede in het presidentieel paleis van Miraflores. 


Op Condorjacht   Daniël de Jongh en Saskia Cloosterman
Guatemala sluit zich aan bij aanklacht tegen Condor-netwerk

Mensenrechtenactivisten zijn op Condorjacht. Het is goeddeels aan de aandacht van de media ontsnapt, maar op 11 september vorig jaar werd in Chili een aanklacht ingediend tegen vijf kopstukken van de Zuid-Amerikaanse terreur. De aanklacht kan verstrekkende gevolgen hebben voor onder meer Pinochet, Videla en Kissinger. Ze worden verantwoordelijk gehouden voor het bloedvergieten van Operatie Condor, het geheime militaire netwerk dat in de jaren zeventig en tachtig dood en verderf zaaide in Zuid-Amerika. Guatemala maakte daar geen deel van uit. Toch sloot de Guatemalteekse Fundación Rigoberta Menchú Tum zich bij de aanklacht aan. Voorzitter Meoño: "Het net sluit zich."

"Guatemala fungeerde als laboratorium voor de terreurmethodes van mensenrechtenschenders in heel het Latijns-Amerikaanse continent." Gustavo Meoño, voorzitter van de Guatemalteekse mensenrechtenorganisatie Fundación Rigoberta Menchú Tum (FRMT) was eind januari in Nederland om aandacht te vragen voor de straffeloosheid in zijn land. Zijn organisatie sloot zich aan bij de aanklacht die op 11 september in Chili werd ingediend tegen vijf kopstukken die verantwoordelijk worden gehouden voor Operatie Condor. Het gaat om de oud-dictators Jorge Videla van Argentinië, Hugo Banzer van Bolivia, Augusto Pinochet van Chili en Alfredo Stroessner van Paraguay. De vijfde man is Henry Kissinger, voormalig minister van Buitenlandse Zaken en veiligheidsadviseur van de regering van de Verenigde Staten. Onder de codenaam Operatie Condor werkten de geheime diensten van de vier genoemde dictaturen samen met die van Brazilië en Uruguay. Doel was politieke dissidenten op te sporen en uit te schakelen.
Guatemala lijkt in dat rijtje niet thuis te horen, evenmin als de Verenigde Staten. Maar dat is een misvatting, aldus Meoño. "Ons pleidooi is gebaseerd op gegevens uit verschillende bronnen. Door verschillende getuigenissen, officiële documenten en historische gebeurtenissen in hun gezamenlijke context te plaatsen wordt de cirkel rond. We kunnen nu aantonen hoe de Verenigde Staten, de Guatemalteekse militaire machthebbers en het Condornetwerk samenwerkten. Het net sluit zich."

'Meningen'
Voor wie niet liever de andere kant opkeek was al langer duidelijk dat de legers en inlichtingendiensten van de Zuid-Amerikaanse repressieve regimes nauw samenwerkten. Maar door gebrek aan harde bewijzen konden getuigenverklaringen van vluchtelingen die in buurlanden werden opgepakt en gemarteld voorheen vaak nog worden afgedaan als 'meningen'. De laatste jaren zijn er echter steeds meer documenten boven water gekomen die het bestaan van Operatie Condor onomstotelijk aantonen, evenals de verantwoordelijkheid van het netwerk voor misdaden tegen de menselijkheid.
Meoño noemt bijvoorbeeld de 'terreurarchieven'' die in 1992 werden ontdekt in Paraguay. Een gigantische berg beschimmeld papier in een oude schuur bleek een groot deel van het archief van het Condor-netwerk te bevatten, evenals duizenden paspoorten van vermiste politieke gevangenen uit de betrokken landen. Zoals Guatemala de proeftuin was, zo diende Paraguay als databank van gegevens over de oprichting en de gruweldaden van het netwerk. Ook recent vrijgegeven CIA-documenten bieden een onthullende blik op het functioneren van Operatie Condor. De Verenigde Staten steunden de aangesloten regimes en leverden kennis, faciliteiten en wapens, evenals militaire trainingen op de destijds in Panama gevestigde School of the Americas. 
Operatie Condor, codewoord voor Systeem van Coördinatie en Veiligheid, ging in 1975 van start. Niet dat er daarvoor geen sprake was van samenwerking tussen de legers en geheime diensten van de aangesloten landen, of van vervolging van vermeende politieke tegenstanders over de landsgrenzen heen. Met Condor werd die samenwerking gesystematiseerd en geïntensiveerd. Ook de steun van de Verenigde Staten was niet nieuw. De coup in Chili tegen Salvador Allende, waarmee Pinochet in 1973 de touwtjes in handen kreeg, leunde zwaar op de medewerking van de CIA. En al in 1954 waren de Verenigde Staten via de CIA nauw betrokken bij de staatsgreep die een eind maakte aan de democratisch gekozen regering van president Arbenz in Guatemala. In de jaren daarna werd het land tot oefenterrein voor mensenrechtenschenders. Vietnam-tactieken en de ervaringen die het Franse leger in Algerije had opgedaan met wrede methoden van opstandbestrijding werden in Guatemala grootschalig toegepast en verfijnd.
De systematische politieke 'verdwijningen', waar Latijns-Amerika berucht om is geworden, zijn daar bijvoorbeeld voor het eerst toegepast. In mei 1966 verdwenen binnen anderhalve dag vijfendertig leden van de Guatemalteekse Arbeiderspartij PGT. "Tot dan toe was er een probleem met betrekking tot het martelen van politieke gevangenen", aldus Meoño. "Vroeg of laat moesten ze namelijk voor een rechter verschijnen. Martelingen konden maar beter geen al te zichtbare sporen nalaten. Door de slachtoffers te laten verdwijnen konden de folteraars deze beperking omzeilen. Ze konden sindsdien de slachtoffers ongelimiteerd folteren, zelfs tot deze eraan bezweken. Vervolgens werden de lijken in een werkende vulkaan gesmeten, of in zee, zoals later in Argentinië veel gebeurde."

Witte Hand
Guatemala was ook het eerste land waar een doodseskader opdook, de Witte Hand. "Nog zo'n verschijnsel dat zich als een olievlek over Latijns-Amerika heeft verspreid", zegt Meoño. Dat gebeurde niet vanzelf, maar vooral door samenwerking met Argentinië en de Verenigde Staten. Argentijnse militair adviseurs speelden een sleutelrol in het uitwisselen van kennis en ervaringen. Ook sluisde Argentinië wapens door naar Guatemala, toen de Amerikaanse regering van president Carter de militaire steun tijdelijk terugschroefde in verband met de al te grove mensenrechtenschendingen. "Die Argentijnse connectie is een constante factor geweest. In 1966 kwamen er al militaire adviseurs uit Argentinië naar Guatemala. Er zijn sterke aanwijzingen dat de kolonel die de Witte Hand oprichtte door een Amerikaanse ambassadeur in contact is gebracht met José López Rega." Deze rechtse secretaris van de Argentijnse president Perón wordt vaak genoemd als de stichter van het eerste doodseskader van Argentinië. Al met al is het dus niet vreemd dat een Guatemalteekse mensenrechtenorganisatie zich aansluit bij een aanklacht tegen vijf breinen van het Condor-netwerk.
Alle vijf, Pinochet, Videla, Stroessner, Banzer en Kissinger, zijn ook elders al aangeklaagd. De advocaten die de Condoraanklacht leiden zijn evenmin onbekenden. De Chilenen Hugo Gutiérrez en Eduardo Contreras hebben internationale faam verworven door hun niet aflatende inspanningen om Pinochet berecht te krijgen. Gaat het dit keer lukken om vijf vliegen in één klap te slaan? Volgens Meoño is dat moeilijk te zeggen. "Juridisch kunnen de bewijzen hard zijn, maar politieke onwil en tegenwerking maken de strijd tegen straffeloosheid er één die een lange adem vereist. Daarom bewandelen we zoveel mogelijk wegen tegelijk. Er lopen aanklachten in verschillende landen. Zo wordt het moeilijker voor de verantwoordelijken voor misdaden tegen de menselijkheid om de dans te ontspringen."
De universalisering van de rechtspraak biedt veelbelovende mogelijkheden. "In Guatemala werden tot voor kort alleen aanklachten ingediend op nationaal en regionaal niveau. Zo lopen er in Guatemala rechtszaken naar aanleiding van de moord op monseigneur Gerardi en zijn er genocide-aanklachten ingediend. Maar deze zaken stuiten op veel weerstand en eindeloze vertraging. Van recht is niet zoveel sprake in onze rechtspraak. Justitie verdonkeremaant bewijzen en er zijn al heel wat betrokkenen vermoord of naar het buitenland gevlucht. Toch is het van belang deze zaken door te zetten, om uiteindelijk hervormingen af te dwingen. We moeten toe naar een onafhankelijk en efficiënt rechtssysteem in Guatemala, waartoe alle burgers toegang hebben. Voor het zover is proberen we de mogelijkheden te benutten die er elders zijn. Zoals Operatie Condor laat zien kennen terreur en straffeloosheid geen grenzen", aldus Meoño, "maar dat geldt ook voor mensenrechten."


HET SUCCES VAN DE  DEMOCRATIE   Jan de Kievid
Democratie in het neoliberale tijdperk

Het afzetten en weer aantreden van de Venezolaanse president Chávez afgelopen april wekt de indruk dat er in Latijns-Amerika niets is veranderd. Toch zijn nooit eerder zoveel landen zo lang democratisch geweest. Dat is zeker winst, al is de kwaliteit vaak mager. De democratieën hebben in het neoliberale tijdperk juist kunnen overleven omdat machtige groepen er niets van te vrezen hebben. Voor burgers valt er weinig te kiezen. Zij worden buiten spel gezet door antipolitieke technocraten of mogen alleen ja of nee zeggen tegen eveneens antipolitieke populisten.

De afgelopen twintig jaar heeft Latijns-Amerika al haar democratische records gebroken. Nooit eerder waren zoveel landen gedurende zo lange tijd min of meer democratisch. Van de 22 belangrijkste landen is alleen Cuba nog een dictatuur. Een kwart eeuw geleden waren slechts Costa Rica, Colombia, Trinidad en Tobago, Jamaica en Venezuela democratisch. Mexico fungeerde toen als een tussengeval, terwijl in de overige zestien landen (militaire) dictators heersten. 
Sinds het einde van de dictaturen in de jaren tachtig vonden ruim honderd presidentswisselingen plaats. Die verliepen niet altijd volgens de regels. Een paar keer grepen militairen in, zoals in Haïti en Venezuela. In Brazilië, Ecuador, Paraguay, Peru en Venezuela zette het parlement presidenten wegens corruptie af. In Argentinië en Ecuador joeg de bevolking een president weg. En in Mexico, Peru en de Dominicaanse Republiek traden presidenten aan na massale verkiezingsfraude. 
Dat alles is niet nieuw. Uitgesproken nieuw is dat driekwart van de gekozen presidenten aan het eind van hun termijn zonder problemen hun ambt overdroegen aan eveneens gekozen opvolgers. Nog opmerkelijker is dat bij 40 procent van deze reguliere wisselingen de kandidaat van de oppositie het presidentschap kon overnemen. De grote klap viel in 2000 in Mexico, toen de regeringspartij PRI na 71 jaar onafgebroken aan de macht de overwinning van oppositiekandidaat Fox accepteerde. In 1988 had de PRI dat via grootscheepse fraude nog weten te voorkomen. 
Meestal gaat het dus via de regels, maar ook als dat niet zo is, worden politieke crises en opvolgingskwesties doorgaans snel opgelost en de regels in ere hersteld. Er zijn wel militaire opstanden en staatsgrepen geweest, maar hun aantal valt in het niet vergeleken bij eerdere perioden. Ze gingen zelden gepaard met bloedbaden en repressiegolven. Alleen in Haïti namen militairen in 1991voor langere tijd de macht over. 
Procedureel zijn dus alle democratische records gebroken. Maar achter de reguliere wisselingen gaat vaak een andere wereld schuil. Colombia lijdt al jaren onder een burgeroorlog. Eenmaal werd daar een presidentskandidaat vermoord en in februari 2002 werd presidentskandidate Ingrid Betancourt ontvoerd. In Chili kunnen de gekozen presidenten volgens de van Pinochet geërfde grondwet de militaire commandanten niet ontslaan. Vaak nemen presidenten beslissingen via decreten buiten het parlement om. Niet alleen parlementen hebben weinig in te brengen, ook de bevolking komt er doorgaans nauwelijks aan te pas. Meestal is de opkomst bij de verkiezingen laag, hoewel vaak nog hoger dan in de Verenigde Staten. 
In het algemeen is de kwaliteit van de democratie mager, al zijn er grote verschillen tussen landen, die ook blijken uit de opvattingen van burgers. Zo is in de Latinobarómetro van 2000 te lezen dat tweederde van de Uruguayanen en Costaricanen tevreden is over het functioneren van de democratie, tegenover zo'n 15 procent van de Brazilianen, Ecuadoranen en Paraguayanen. Als mensen weinig vertrouwen in de democratie hebben, kunnen ex-dictators of hun zetbazen weer legaal aan de macht komen, zoals generaal Banzer in Bolivia in 1997 en Portillo, namens ex-dictator Ríos Montt, in Guatemala in 2000. 
Hoewel de nieuwe democratieën gemiddeld al bijna twintig jaar bestaan, heeft nauwelijks een verdieping van de democratie plaatsgevonden. In sommige landen is de kwaliteit eerder achteruit gegaan, zoals in het gewelddadige Colombia. In Venezuela toonde de doldrieste oud-couppleger Chávez, gesteund door groot kiezersmandaat, weinig respect voor de democratische instituties. Hetzelfde gold voor degenen die hem afgelopen april twee dagen het presidentschap ontnamen. 


'Liever saai dan een dictatuur'   Maja Haanskorf
Latino's in Nederlandse politiek

Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen zijn aardig wat Latino's gekozen in gemeenteraad of deelraad. Het zijn vooral Chilenen, die een actieve rol spelen in de politiek. Vanwaar die belangstelling? Welke doelen stellen zij zich? Is er verschil tussen eerste en tweede generatie Latino's? "Als ik in China had gewoond, was ik ook in de politiek gegaan", stelt Daniel García.

De plaats van bijeenkomst is het Latijns-Amerika Centrum in Amsterdam. Aan de tafel scharen zich drie Chilenen, van wie er twee recent zijn gekozen in deelraden van de stad. Daniel García zit voor de PvdA in de deelraad Zuideramstel en Rodrigo Fernández in de deelraad Binnenstad voor de partij Amsterdam Anders de Groenen. De derde aanwezige, Boris del Valle, stond net te laag op de lijst van GroenLinks om in de deelraad Westerpark gekozen te worden. Gedurende twee uur zullen wij discussiëren over wat hen bezielt zich druk te maken in de Nederlandse politiek en over verschillen in de politieke cultuur tussen Nederland en Chili. Of zijn er juist meer overeenkomsten? En over welk Chili heb je het dan? 

Rodrigo Fernández, met zijn 27 jaar de jongste van het gezelschap, meldt meteen dat verbondenheid met Chili voor hem geen rol speelt. "Ik ben hier geboren en mijn politieke betrokkenheid heb ik meegekregen van mijn ouders, die toevallig Chileen zijn. Die zijn hier gekomen als politiek vluchteling. Hun Chili is nu anders. Zij waren actief in de jaren zeventig, maar ook in Chili is het klimaat veranderd. Dat heeft alles te maken met wereldwijde ontwikkelingen. Daar ligt ook mijn betrokkenheid, bij de antiglobaliseringsbeweging." 
Boris del Valle (52) laat zich mompelend ontvallen de Nederlandse politiek saai te vinden. "Er is niet veel verschil in partijprogramma's en ik erger me eraan dat er geen gekozen burgemeesters en president zijn. Het heeft lang geduurd voor ik me hier met politiek bezig ging houden. Ik ben pas sinds vorig jaar december lid van GroenLinks. Dat vind ik een vriendelijke partij, die relaxed met politiek omgaat. Bovendien zijn ze sociaal en groen. De eerste tijd dat ik in Nederland was, had ik niet veel tijd en oog voor de Nederlandse politiek. De eerste generatie Chilenen was meer bezig met overleven hier, met de repercussies van het vertrek. Je wacht met integreren, want je bent hier wellicht tijdelijk." 
Het woord 'saai' doet Daniel García (49) zijn hoofd schudden. "Als je nu in Chili zou zijn, zou je de politiek daar ook saai vinden. Bovendien kunnen saaie dingen de boel ook levend houden. Liever saai dan een dictatuur." Van hem komt de opmerking dat hij overal ter wereld, al was het in China, politiek actief zou zijn. García: "Je bent een sociaal dier of niet. Ik ben dat wel, altijd bezig om de samenleving proberen te veranderen. In Chili zat ik, zo jong als ik was, bij de vakbond en was ik actief in een linkse partij. In Nederland ben ik ook meteen bij de FNV gaan werken. Eigenlijk ben ik niet veranderd, alleen de plek is veranderd."


Duur ziekenhuisbed vraagt om thuiszorg in Brazilië   Hans Veltmeijer

Ook in Brazilië neemt de vraag naar thuiszorg noodgedwongen toe. Hoge kosten van een ziekenhuisopname maken het voor particuliere verzekeraars interessanter om de patiënt thuis te verzorgen. Voor de overheid is een opname in een karig openbaar ziekenhuis nu nog vaak voordeliger. Maar de vergrijzing dwingt ook de publieke zorg in de richting van thuiszorg.

De gezondheidszorg in Brazilië is grofweg opgedeeld in openbare zorg die voor iedereen gratis toegankelijk is en particuliere zorg voor diegenen die een 'gezondheidsplan' hebben bij een particuliere zorgverzekeraar. De vijftig miljoen Brazilianen, 30 procent van de bevolking, die onder de armoedegrens van een kleine veertig euro in de maand leven, maken gebruik van de openbare zorg. 
Maar de gemiddelde Braziliaan heeft niet veel vertrouwen in de publieke zorginstellingen. Omdat de meeste artsen en specialisten naast hun particuliere diensten een deel van hun werktijd besteden aan openbare zorgtaken is de kwaliteit van het personeel in de publieke zorg niet minder. Maar het zijn de vaak belabberde behuizing en de tekorten aan personeel en medicijnen die de mensen tot deelname aan een gezondheidsplan bewegen.
"Heel veel misère", zo beschrijft dokter Ulysses (34) de omstandigheden in openbare ziekenhuizen. Hij is sinds drie jaar de tevreden en goedlachse directeur van de afdeling thuiszorg van zorgverzekeraar Amil in Rio de Janeiro. Het door artsen opgezette gezondheidsplan telt zo'n één miljoen verzekerden, voornamelijk in de deelstaten Rio de Janeiro en São Paulo. 
"Ziekenhuizen zijn geen gezondheidshuizen meer om beter te worden, maar doorgangshuizen", stelt hij onomwonden vast in zijn bescheiden kantoortje in Rio's uitdijende voorstad Duque de Caxias. Trots toont hij de nieuwe rolstoelen en de gebruikte bedden die met een verflaagje weer als nieuw naar de volgende patiënt gaan. Volgens hem wordt iedereen beter van de thuiszorg: voor de verzekeraars is het goedkoper, de ziekenhuizen hebben minder plaatsgebrek en de patiënt krijgt een betere zorg. 

Gat in de markt
Tijdens een internationale conferentie over thuiszorg in São Paulo in december vorig jaar werd duidelijk dat in Brazilië de komende jaren een dringende vraag zal ontstaan naar thuiszorg. "En Brazilië is daar totaal niet op voorbereid", aldus Ulysses. Hij wijst daarbij op de wildgroei aan door individuele huisartsen gerunde 'incompetente' thuiszorgbedrijfjes die een gat in de markt zien in de groeiende behoefte aan zorg in huis. 


Antwoord op het verdriet   Cora van den Berg
Nederlands monument in Colombiaanse jungle

Een plek om met het verdriet naartoe te gaan, om de doden te herdenken, om een antwoord te geven op de alsmaar durende oorlog. Het Monument van Internationale Solidariteit in Nueva Vida, een kleine vredesgemeenschap in de jungle van Colombia, is helemaal vanuit Nederland overgekomen. De Nederlands-Tunesische beeldhouwster Salwa Jabli maakte een 3,5 meter lang beeld en honderden stenen handjes, op verzoek van Amnesty International. Toen ze het beeld opbouwde in Nueva Vida, samen met de dorpsbevolking, werd een jongen uit het dorp door de paramilitairen vermoord. De mensen legden zijn lichaam gelijk bij het monument neer. "Ik heb gezien dat het goed was wat ik gedaan heb, dat het een functie heeft."

In de vroege ochtend van 27 februari 1997 vielen het Colombiaanse leger en een paramilitaire groepering het stroomgebied van de Cacarica-rivier aan, in de noordwestelijke jungle van Colombia. Ze dwongen de 3500 inwoners van de 23 dorpen hun woonplaats te verlaten, staken huizen in brand en vermoordden meer dan tachtig mensen. Doel van deze zogenaamde Operatie Génesis was het gebied van de FARC-guerrillero's schoon te vegen. De verdreven bevolking kwam terecht in het stadje Turbo, een dikke honderd kilometer verderop. Daar verbleven ze in erbarmelijke omstandigheden, hutje mutje in een sporthal of herberg.
Na verloop van tijd besloten zo'n 2500 dorpelingen de handen ineen te slaan en terug te keren naar hun gebied. Niet in de verspreide dorpjes zoals weleer, maar in twee neutrale gemeenschappen, Nueva Vida (Nieuw Leven) en Esperanza en Dios (Hoop op God). Ze organiseerden zich in de vredesgemeenschap CAVIDA en maakten afspraken met de overheid over hun veiligheid, over het uitbaggeren van de dichtgeslibde riviertjes, en ook over hulp bij de verwerking van het leed. De regering zegde toe dat er een monument zou komen in één van de twee dorpen. Die belofte werd niet nagekomen, toen de dorpelingen in 2000, drie jaar na de gebeurtenissen, hun intrek namen in hun nieuwe gemeenschap. Het verzoek voor een monument kwam terecht bij Amnesty International Nederland. Die benaderde de Amsterdamse half-Tunesische beeldhouwster Salwa Jabli (1972).

Confronteren 
"Mijn werk gaat altijd over schending van mensenrechten", vertelt Salwa Jabli. "Als kind verzamelde ik knipsels van alle ellende in de wereld. Ik kon die ellende niet loslaten. Met mijn beelden kan ik nu uiting geven aan mijn woede en onmacht. Ik wil de mensen confronteren, het publiek iets meegeven. In Nederland is kunst vaak iets intellectueels, een concept. Terwijl mijn werk vaak heel duidelijk is, heel letterlijk. Je ziet wat de betekenis is. Dat is belangrijk, omdat het vaak gaat over situaties die ver van ons afstaan." 
In januari 2000 had Jabli een expositie in Amsterdam, waar ze terloops ook Amnesty International voor had uitgenodigd. Twee weken later kreeg ze het verzoek van Amnesty om vrijwillig mee te werken aan het monument waar de twee dorpen in het Cacarica-gebied om gevraagd hadden. "Ik wilde altijd al iets met mijn werk doen, bijvoorbeeld de opbrengsten aan Amnesty schenken", vertelt ze. 
Onderdeel van het monument was dat veel mensen in Nederland hun medewerking eraan konden verlenen, om de problematiek onder ogen van het publiek te brengen. Dat gebeurde in juni 2000 op het wereldmuziekfestival Mundial in Tilburg. "Het uitreiken van een hand, dat leek me een mooie manier om de individuele solidariteit uit te beelden", zegt Jabli. "Tijdens het Festival Mundial heb ik van vijfhonderd mensen een gipsen mal van hun hand gemaakt. Dat was een enorm succes. De bezoekers stonden in de rij om hun solidariteit te tonen. Tegelijk kregen ze iets mee van de situatie in Colombia. Iedereen denkt bij dat land altijd alleen aan drugs. Maar dat er zoveel gruwelijkheden gebeuren is nauwelijks bekend."
De vijfhonderd gipsen mallen vulde Jabli vervolgens af met gietsteen. De vracht ging samen met het grote beeld in november 2001 op een bananenschip richting Colombia. Salwa Jabli was vóór deze opdracht nog nooit in Latijns-Amerika geweest. Ook bij de Amnesty-afdeling kende niemand het gebied. Pas op het laatst werd Marian Janssen erbij betrokken, om Jabli als tolk naar het gebied te begeleiden. Janssen kende de regio goed, omdat zij daar een jaar had gewerkt voor Peace Brigades International. In december vorig jaar vertrokken de twee samen naar het gebied, in de hoop dat ze binnen een paar weken het beeld, de handen en al het benodigde bouwmateriaal in het dorp konden krijgen en het monument konden neerzetten. Die paar weken werden uiteindelijk drie volle maanden.


 

   E-mail Noticias
   Noticias-donateur worden?

Patrocinado por / Sponsored by:


  

Noticias 1997-2004