REDACTIONEEL
Maja Haanskorf
Recht en onrecht
Aan prijzen voor het bevorderen van de mensenrechten en de vrede is geen gebrek. Zo kende het Europees Parlement in oktober de André Sacharow-prijs toe aan de Cubaan Oswaldo Payá, voor diens inspanningen een referendum te houden op Cuba. Op het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) was dit jaar voor het eerst een competitie van films over de Rechten van de Mens. Amnesty International en Stichtig DOEN hadden deze prijs in het leven geroepen.
Op dit in eind november gehouden festival werd prachtig aangetoond hoe dun de scheidslijn kan zijn tussen het bevorderen en het schenden van de mensenrechten. In de film The Trials of Henry Kissinger laat de maker Eugene Jarecki zien dat Kissinger, winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, een oorlogsmisdadiger is die aangeklaagd moet worden wegens het op grote schaal schenden van mensenrechten. De film won de eerste prijs in de categorie mensenrechten.
In schril contrast met het aantal prijzen staat de werkelijke naleving van mensenrechten en het vreedzaam handelen. Het dagvaarden en terechtstellen van daders van schendingen, waar en wanneer ook ter wereld, komt maar moeizaam van de grond. Ook hier is Kissinger een fraai voorbeeld. Zolang de Verenigde Staten zich onttrekken aan het internationaal recht, kan de voormalige staatsman met gemak de dans ontspringen. De straffeloosheid in het Latijns-Amerikaanse continent is spreekwoordelijk. Verheugend is dat veel mensen, of ze zelf nu wel of niet direct slachtoffer zijn geweest van schendingen, het er niet bij laten zitten. Kinderen van verdwenen personen tijdens de dictaturen in Chili en Argentinië sporen daders op en confronteren hen luidkeels met hun misdaden. In Guatemala heeft de niet aflatende strijd van Helen Mack ertoe geleid dat, twaalf jaar na dato, een van de verantwoordelijkheden voor de moord op haar zus Myrna Mack is veroordeeld.
De ultieme vorm van schending van de mensenrechten is wellicht de doodstraf. Het is immers een onomkeerbare maatregel, die indruist tegen het meest elementaire recht, het recht op leven. Niet voor niets stelt artikel 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dat 'een ieder recht heeft op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon'. Inmiddels heeft ruim de helft van alle landen ter wereld de doodstraf afgeschaft. Wat niet wegneemt dat in veel landen, waaronder Nederland, de roep om invoering van de doodstraf regelmatig de kop opsteekt. 'Oog om oog, tand om tand' is niet alleen voorbehouden aan stoere macho's in cowboyverhalen, maar is een oergevoel dat blijkbaar in de mens zit. Precies daarom is er in een samenleving recht nodig, zodat die niet handelt uit wraak. Wellicht had minister Nawijn, toen hij zich uitsprak vóór de doodstraf, een onomkeerbare oprisping van brute wraakgevoelens.
Wraak en angst zijn doorgaans slechte raadgevers en al helemaal niet geschikt als richtlijn voor politiek en maatschappelijk handelen. Gevoel voor recht en rechtvaardigheid lijken mij betere criteria.
Chávez sí o no
Peter Desmet
Venezuela in een notendop
Ternauwernood overleefde Chávez in april van dit jaar de tegen hem gerichte coup. Binnen achtenveertig uur was hij afgezet en weer terug als president. Maar sinds die elfde april is het de president van Venezuela evenmin voor de wind gegaan.
Er blijven zich nieuwe dissidenten binnen het leger aanmelden en de miljoenenmarsen tegen Chávez zijn bijna een wekelijkse gewoonte geworden met als gevolg een enorme dip in de economische activiteiten van het land. De Verenigde Staten blijven zich actief inlaten met de toestand in Venezuela en bondgenoot Cuba lijkt wat afstand genomen te hebben van het regime-Chávez.
Vooral het feit dat werkgevers, vakbonden en burgerverenigingen zich sinds april 2002 tot een hecht oppositiefront hebben verenigd is een streep door de rekening van Chávez.
Hugo Chávez Frías staat in het middelpunt van de dagelijkse realiteit in Venezuela. Voor of tegen Chávez, zo valt de gespannen situatie in het land in een notendop samen te vatten. Hoe is het zover kunnen komen ? De recente geschiedenis van Venezuela laat zien dat een anti-politieke stemming niet iets nieuws is. Gedeeltelijk valt dat te verklaren uit het politieke spel zoals dat in de periode 1958-1988 gespeeld werd. Sinds de aanvang van de politieke democratie in 1958, met het omverwerpen van de dictatuur van Marcos Pérez Jimenez, vertaalde de politieke strijd zich in een gevecht tussen slechts twee partijen. Enerzijds de sociaaldemocratische Acción Demócratica (AD) en anderzijds de christendemocratische Copei. Beide partijen verdeelden elke verkiezing de koek onder elkaar en andere partijen werden eenvoudigweg niet geduld.
Tot in het midden van de jaren tachtig werkte het systeem wonderwel en werd de nieuwe president gelegitimeerd door de verkiezingsuitslag. In geen enkel ander Latijns-Amerikaans land was in die tijden het enthousiasme zo groot om de gang naar de stembus te maken als in Venezuela. De verkiezingsperiode werd beschouwd als een extra carnaval met snoepgoed en lekkers voor eenieder die wilde. Een groot verschil in programma tussen AD en Copei is er nooit geweest, een inhoudelijk debat evenmin. Beide partijen vaarden steevast een centrumkoers en hadden gerust kunnen fuseren. Maar dat deden ze welbewust niet omdat ze op die manier de knikkers onderling konden verdelen. Met wat goede wil is de AD een progressievere koers toe te dichten dan Copei; de sociaaldemocraten waren pro-Cuba en gelieerd aan de grootste vakbond van het land.
De werkgevers, de vakbonden en natuurlijk ook het leger speelden de bijrollen in deze democratische kiesstrijd graag mee, omdat na afloop iedereen royaal beloond werd. De legertop met een ongelimiteerd aankoopbudget en riante lonen, de werkgevers met een fonds dat koersverschillen bijpaste wanneer ze grondstoffen en machinerie in het buitenland aankochten en de vakbonden met het plaatsen van hun pionnen op vertrouwensposten in de overheidsadministratie. Dit alles werd gefinancierd door de niet aflatende stroom 'petrodollars'. De AD had in 1974 het lumineuze idee om de ganse petroleumsector te nationaliseren, wat resulteerde in nog meer handelsmarge voor de regeringen aan de macht.
Diepe kloof
Aan dit alles kwam in 1989 abrupt een einde met de 'Caracazo', de volksopstand op 27 februari. De mensen gingen massaal de straat op om te protesteren tegen de enorme prijsstijgingen. Carlos Andrés Pérez (CAP), de pas herkozen president, begon zijn tweede ambtstermijn met voor Venezuela ongekende besparingen, opgedrongen door het IMF vanwege de dalende petroleuminkomsten. Subsidies op basisproducten werden van de ene op de andere dag ingetrokken en de prijs van petroleum verdubbelde. Dit lokte een explosieve reactie uit van vooral de onderlaag van de bevolking. CAP werd gedwongen af te treden. Er volgden drie interim-presidenten. De gevestigde politieke partijen AD en Copei bewezen in de volgende jaren dat ze geen passend antwoord hadden op de sociaal-economische crisis. Ook de MAS (Movimiento al Socialismo), slaagde er niet in een rol van betekenis te spelen. Deze partij, in de jaren zeventig ontstaan uit de guerrillabeweging, heeft altijd een duidelijk programma gehad en halverwege de tachtiger jaren leek het er even op dat de partij het kon winnen van AD en Copei. Zover is het echter nooit gekomen.
Oudgediende Rafael Caldera, een ex-president van 78 jaar, won de verkiezingen. Hij was daarvoor zelfs uit Copei gestapt, de partij die hij zelf had opgericht. Tot eenieders verbazing wist Caldera vier jaar lang het land boven water houden. Hij moest regeren op basis van een coalitie, die uit veertien partijtjes bestond. De AD en Copei waren al meer dood dan levend en ontbraken dan ook in deze coalitie.
Het is in de periode 1994-1998 dat de doorsnee Venezolaan zich volledig van de politiek begon af te keren en zich concentreerde op het belangrijkste: overleven. Het land werd geteisterd door de grootste sociaal-economische crisis in de tweede helft van de twintigste eeuw.
In de verkiezingsstrijd van 1998, waarbij ex-legerkolonel en ex-couppleger Hugo Chávez met grote meerderheid tot president werd gekozen, lieten de midden en hogere klassen - de Venezolaanse bourgeoisie - helemaal verstek gaan. De klassieke politieke partijen waren verdwenen of gedecimeerd. Bovendien meenden zij dat die onervaren legerkolonel het toch niet lang zou uitzingen. Dan zouden er nieuwe verkiezingen komen en tegen die tijd zou de bourgeoisie zich wel weer politiek georganiseerd hebben. De laagste klassen echter zagen eindelijk een kandidaat die hun levenslange frustratie kernachtig verwoordde en hun aspiraties beloofde te verwezenlijken.
Anno 2002 is de strijd voor of tegen Chávez grotendeels terug te voeren op de kloof tussen de haves and havenots. Ook al heeft de eerste groep geen echt electoraal alternatief, ze is bevreesd voor Chávez omdat hij al lelijk heeft huisgehouden in de Venezolaanse economie. Sinds enkele maanden tooit het anti-front zich trouwens met de mediagenieke naam 'Coordinación Democrática'. De tweede groep wil het nog niet opgeven, omdat volgens haar Chávez nog niet de kans heeft gekregen om zijn plannen tot uitvoer te brengen.
De tegenstanders van Chávez richten alle energie op vervroegde verkiezingen. Nogal bizar, gezien het feit dat Chávez in 1998 op een volledig legitieme en democratische wijze tot president werd gekozen. Vervolgens is de president in 2000 herkozen voor een periode van zes jaar. De Chávez-tegenstanders hebben dus twee maal de kans gekregen om hun opponenten op een democratische manier weg te stemmen. Dat dit niet lukte was vooral te wijten aan de chronische verdeeldheid in het eigen kamp. Op dit moment bestaat er evenmin consensus over een volwaardig politiek alternatief. Zowel werkgevers als vakbonden hebben meer dan dertig jaar vooral geprofiteerd van het politieke systeem, zonder interesse te tonen om daadwerkelijk iets aan de scheve sociaal-economische verhoudingen in het land te veranderen. De vakbonden zijn zich pas gaan roeren toen Chávez aan een aantal van hun privileges begon te tornen. Dat Chávez het waagde de rol van de vakbonden in de staatspetroleummaatschappij (PDVSA) ter discussie te stellen, was de druppel die de emmer deed overlopen.
Inmenging
Eén van de, zij het onzichtbaar gebleven, hoofdrolspelers in het Venezolaanse conflict is de Verenigde Staten. De VS zijn bepaald niet dol op president Chávez. Daar zijn meerdere redenen voor. In de eerste plaats vrezen de VS dat Chávez als inspiratiebron zal fungeren voor andere populistische kandidaten in de regio. Bovendien steunt Venezuela Cuba met goedkope olieleveringen. Dit is de VS een doorn in het oog omdat Venezuela de economische boycott tegen Cuba hiermee doorbreekt. Wat de Amerikanen Chávez zeker hebben kwalijk genomen is zijn afwijzende houding tegen het Plan Colombia en zijn steun aan de Colombiaanse guerrillagroep FARC.
Alsof dat nog niet genoeg is heeft Venezuela een belangrijke rol gespeeld als secretaris van de Organisatie van Olieproducerende Landen (OPEC). Chávez nam de moeite om alle regeringsleiders van de OPEC-landen er persoonlijk van te overtuigen om de productiequota niet zonder onderling overleg te verhogen. Met als gevolg dat de olieprijzen sinds enkele jaren relatief hoog zijn gebleven. De VS zagen tevens met lede ogen aan dat gezworen vijanden als Saddam Hussein en kolonel Khadaffi bezoek kregen van Chávez, wat breed werd uitgemeten in de internationale media.
Samengevat hebben de VS redenen te over om iemand anders als president van Venezuela te wensen. Dat ze daarbij desnoods wel een handje willen helpen, mag blijken uit de reconstructie van de gebeurtenissen op 11 april, de dag van de staatsgreep. Twee Amerikaanse miltaire attachés van de VS-ambassade hadden de coupplegers rechtstreeks van advies gediend. De tactiek ter omverwerping van de regering heeft tot nog toe weinig succes gehad. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat de Amerikanen het nieuw gevormde Venezolaanse oppositiefront logistiek ondersteunen. Dit kan ondermeer door de anti-chavisten onbeperkt toegang tot de media te verlenen. Opvallend is dat op 22 oktober veertien hoge officieren in het openbaar opriepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Hoe men het ook draait of keert, geen enkel leger uit de regio kan volledig onafhankelijk opereren ten opzichte van de geopolitieke militaire strategie van Uncle Sam. Ook het Venezolaanse leger niet.
Referendum
Het oppositiefront speculeerde in de maanden juli en augustus vooral op een veroordeling van de regering door het Hooggerechtshof voor de burgerslachtoffers, die in april tijdens de massale demonstraties tegen Chávez vielen. Toen die veroordeling er niet kwam veranderde de oppositie van tactiek door een nationaal referendum te eisen over het bewind van Chávez. Volgens de grondwettelijk vastgestelde periode, heeft de verkiezingscommissie nog tot 4 december de tijd om het verzoek tot referendum te behandelen. Indien meer dan 10 procent van de bevolking een referendum aanvraagt, moet dit volgens de grondwet ook georganiseerd worden.
Ook de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) is bij het verzoek tot een referendum ingeschakeld. Op verzoek van onder andere de VS probeert deze organisatie te bemiddelen in het Venezolaanse conflict. Op 7 november werden er bij de verkiezingscommissie meer dan 2 miljoen handtekeningen afgegeven met het verzoek tot een referendum. De voorzitter van de verkiezingscommissie heeft inmiddels ontslag genomen, vanwege de onhoudbare druk van zowel de oppositie als de regering op de commissie.
De samenstelling van de verkiezingscommissie is nog een hoofdstuk apart. In een recent verleden klaagde de oppositie dat de commissie, die in 2000 opnieuw is samengesteld, gedomineerd wordt door leden van de Movimiento V República (MVR), de partij van de president. Ondanks dit alles verklaarde de voorzitter ad interim van de verkiezingscommissie dat de administratieve verwerking van de petitie pro referendum gewoon verder gaat. Chávez verklaarde alvast dat er volgens hem geen sprake kan zijn van een referendum voordat de helft van zijn regeringsmandaat van zes jaar verlopen is en dat is pas medio 2004.
Wanhopig
Waarom zijn de Chávez-getrouwen zo onwrikbaar in hun standpunt? Want ook zij voelen toch de gevolgen van de verslechterde economische toestand in hun eigen vel. De trieste waarheid is dat de arbeidersklasse en de landbouwers, die samen 60 à 65 procent van de Venezolaanse bevolking vormen, sinds het begin van de jaren negentig in meer dan precaire omstandigheden leven. Ze hebben geen vast inkomen, een rudimentaire en gebrekkige gezondheidszorg en een ridicule pensioenregeling. Zonder uitzondering wonen ze allemaal in sloppenwijken in de Venezolaanse steden, vooral in de hoofdstad Caracas. Venezuela is namelijk een verstedelijkt land.
Het zijn dan ook vooral sloppenwijkbewoners die pal achter Chávez blijven staan, omdat de verzuchtingen van de handelaars, de voormalige middenklasse en de werkgevers niet de hunne zijn en ze niets te verliezen hebben. Het zijn zij die de verklaring van Chávez van 6 november volledig onderschrijven: "De rijke Venezolanen zouden moeten begrijpen dat de regering die ik leid ook voor hen werkt. Eén van de zaken die we voor hen doen is het verbeteren van de situatie van de de armen. Dit zal helpen om een evenwicht te creëeren in het land, zodat we allen in vrede kunnen leven."
Toch heeft Chávez door zijn botte en autoritaire stijl een substantieel deel van zijn oorspronkelijke aanhangers doen afhaken, vandaar dat de opiniepeilingen doorgaans aangeven dat zo'n 70 procent van de bevolking haar president liever kwijt dan rijk is. Ook al dienen opiniepeilingen met een korrel zout genomen te worden, want men kan zich afvragen in hoeverre sloppenwijkbewoners telefonisch bij dit soort peilingen betrokken worden.
Voorlopig schijnen het evenwicht en de vrede waar de president het over heeft nog ver weg te zijn. Chávez' werkwijze kan op geen enkele goedkeuring van zijn politieke tegenstanders rekenen. Voeg daarbij dat geen van beide partijen zich tot nog toe constructief heeft opgesteld. Wat rest is een dovemansgesprek dat volop via de communicatiemedia uitgedragen wordt. Confrontatie blijft het sleutelwoord voor de komende weken en maanden die Venezuela voor de boeg heeft.
LAND IN DE WACHTKAMER
Maja Haanskorf
Cubaanse impressies
Post-totalitair, pre-kapitalistisch, pseudo-socialistisch: Cuba bevindt zich tussen ergens en nergens. Net zoals de bevolking, probeert de regering te overleven door een beleid van inventar, het improviseren van maatregelen, in afwachting van betere tijden. De binnenlandse oppositie profileert zich voorzichtig maar hardnekkig. Het droomland van westers links is moe van de revolutionaire retoriek. Een reportage uit het land van oude helden en nieuwe ritselaars.
Op de Malecón, de boulevard in Havana, staan de kelders van de toch al vervallen huizen nog onder water. Begin oktober raasden binnen elf dagen twee cyclonen over het westen van het eiland.Volgens deskundigen van de meteorologische dienst op Cuba was dit bijzonder. Het zou kunnen wijzen op een verandering in het patroon van tropische stormen in de Cariben. Na een relatief rustige periode breekt er nu wellicht een letterlijk stormachtige tijd aan, waarbij het ieder najaar goed raak kan zijn.
Of er politiek en economisch gezien ook veel veranderingen op stapel staan, valt sterk te betwijfelen.
Dat er op politiek gebied sprake is van iets meer openheid, daarover zijn alle 'dissidenten' het wel eens. Ze zitten niet meer voor ieder wissewasje langdurig in de gevangenis en praten tegenwoordig vrijuit met buitenlandse journalisten. "Dat komt vooral doordat de oppositie rijper, volwassener is geworden", meent Vladimiro Roca in zijn huis in een rustige wijk van Havana. Nog tot mei zat hij gevangen, vanwege zijn vermeende subversieve opvattingen. Over zijn vijfjarige detentie wil hij niet veel kwijt, behalve dat het duro, muy duro was. Niet alleen voor hem was het zwaar, maar ook voor zijn gezin. Hij zat ver van Havana gevangen, wat het voor zijn vrouw moeilijk maakte om hem te kunnen bezoeken. "Gevangenissen op Cuba zijn verschrikkelijk, dat kun je je niet voorstellen. Die hele periode moet ik nog verwerken."
Vonnis in de zaak-Mack
Mattanja Beunder
Stap vooruit in de strijd tegen straffeloosheid
Het haalde zelfs de Nederlandse krantenkoppen: een van de drie militairen die zijn aangeklaagd voor de moord op de Guatemalteekse antropologe Myrna Mack is veroordeeld tot dertig jaar gevangenisstraf. Twaalf jaar verbeten juridische strijd ging eraan vooraf. Een positief geluid uit Guatemala, waar straffeloosheid meer regel is dan uitzondering.
De Guatemalteekse antropologe Myrna Mack Chang deed in de jaren tachtig onderzoek naar de levensomstandigheden van ontheemden in het westen van Guatemala. Gevlucht voor het brute geweld van militaire en paramilitaire groepen hielden deze zich schuil in de bergen. In maart 1990 presenteerde Mack haar onderzoeksresultaten in het rapport 'Ontheemding in Guatemala als institutioneel beleid'. De militaire machthebbers zaten echter niet te wachten op haar onthullingen over de wijze waarop het leger de bevolking uitmoordde en opjaagde. Op 11 september, zes maanden na de verschijning van het rapport, werd Myrna Mack voor de deur van het kantoor van Avancso in de hoofdstad met 27 messteken om het leven gebracht. Twaalf jaar later is een kolonel die opdracht gaf tot de moord veroordeeld tot dertig jaar gevangenisstraf. Een positief geluid uit een land waar ruim vijf jaar na de ondertekening van de vredesakkoorden nog altijd straffeloosheid heerst.
Té rustig voor Brazilianen
Hans Veltmeijer
Cardoso's kwaliteiten vooral in het buitenland geprezen
Cardoso doet op één januari 2003 na acht jaar afstand van het hoogste ambt in de grootmacht van Latijns-Amerika. Hij heeft met zijn monetaire plano real een chronische inflatie beteugeld en is als politiek en economisch hervormer een graag geziene gast bij buitenlandse regeringsleiders. Toch hebben de Brazilianen 'FH' nooit in de armen gesloten. De soms pijnlijke consequenties van zijn beleid en economische crises verklaren die tegenstrijdigheid maar gedeeltelijk. Want meer dan dat blijkt de figuur van een rustige, intellectuele president te botsen met het verlangen van het volk naar een gepassioneerd en charismatisch leider. "Ze willen mij vreemd genoeg als een dictator zien."
Fernando Henrique Cardoso (71) werd geboren in Rio de Janeiro en studeerde sociologie in São Paulo. Zijn gelukkige jeugd wordt wel als basis gezien voor zijn verdere zo stabiele en zelfverzekerde karakter. Zijn vaak als arrogant getypeerde houding wordt door ingewijden echter aangenaam genoemd. "Het is moeilijk iemand te vinden die hem kent en hem persoonlijk niet mag", aldus politicoloog en schrijver van een biografie over Cardoso, Ted Goertzel. De in Nederland woonachtige schrijver/journalist Tarcisio Lage kent Cardoso nog uit de tijd van diens politieke ballingschap in Chili en beaamt dat: "Hij is niet mijn president, maar het is wel een sympathiek mens."
Braziliaanse indianen hopen op Lula
Ruth Jansen
Een delegatie van de COIAB bezocht op 6 november van dit jaar het Nederlands Centrum voor Inheemse Volkeren (NCIV). Coördinator Jecinaldo Barbosa Cabral, bestuurslid Domingos Barreto en adviseur Silvio Cavescens belichtten de huidige situatie van inheemse volken in de Braziliaanse Amazone. Verder gingen ze in op de brandende vraag wat Lula gaat doen voor inheemse volken, wanneer hij op 1 januari 2003 het presidentiële ambt overneemt. Diens goede bedoelingen blijken nog niet in concrete plannen te zijn vertaald.
De COIAB is de overkoepelende organisatie van Inheemse Volken in het Braziliaanse deel van het Amazonegebied. De organisatie is in 1989 opgericht door een aantal lokale inheemse organisaties. Hoofddoel was de erkenning van inheemse territoria. Op dit moment steunt de COIAB 64 verschillende lokale inheemse organisaties die 163 verschillende volken vertegenwoordigen. Dat is maar liefst 60 procent van de inheemse bevolking van Brazilië.
Op het gebied van erkenning van inheemse territoria is in Brazilië al behoorlijk wat bereikt. Op 5 oktober 1988 werd in artikel 231 van de grondwet opgenomen dat de inheemse volken recht hebben op het grondgebied waar ze sinds onheuglijke tijden hebben gewoond. Tot op heden zijn 373 van de 580 gebieden officieel erkend. In oppervlakte is dat ruim driekwart van wat uiteindelijk inheems territorium zal moeten zijn
Rurale bibliotheken in Peru
Vincent Kramer
Campesinos schrijven eigen geschiedenis
Ongeveer een kwart van de indiaanse boeren in Peru is analfabeet. Velen spreken het Quechua als eerste taal, en beheersen het Spaans niet of nauwelijks. Het schrift is dus niet de eerste keuze om de campesinos te bereiken. Toch drijft sinds 1971 een organisatie op het platteland van Cajamarca met succes een netwerk van rurale bibliotheken, waar campesinos hun eigen werken kunnen lezen.
Cajamarca is het armste departement van Peru. Het heeft het laagste onderwijsniveau van het land en 20 procent van de bevolking kan niet lezen of schrijven, met name de rurale bevolking en de vrouwen. In 1971 was het aantal analfabeten nog veel groter. Maar daar liet Juan Medcalf, een van oorsprong Britse priester, zich niet door weerhouden. Samen met een paar campesinos begon hij in dat jaar met het opzetten van een netwerk van rurale bibliotheken: de Bibliotecas Rurales.
Hij begon met niet meer dan een stel folders, tijdschriften, krantenartikelen en een paar romans. De geschriften werden beheerd door bibliothecarissen. Dit waren campesinos die in elk dorp werden gekozen. Elke bibliothecaris had de werken thuis, waar de dorpelingen ze konden lenen. Na het lezen, werden ze geruild met die van een bibliotheek van een naburig dorp.
In 1981 begonnen Medcalf en zijn medewerkers de bibliothecarissen te leren schrijven. De traditionele mondelinge overdracht van waargebeurde verhalen kon vanaf toen worden vastgelegd. De verhalen werden gebundeld en toegevoegd aan de boeken die het netwerk rijk was. Zo werd in 1986 het Proyecto Enciclopedia Campesina geboren. Daarnaast leerde de bibliothecaris het schrijven aan ieder die wilde. Dit gebeurt nog steeds.
HOLANDA LATINA
Dorien Dijkhuis
Latijns-Amerika in Nederland is meer dan salsa en Máxima. Dat bewijst Mariano Slutzky met Holanda Latina, een gids over alles wat er in Nederland een Latijns-Amerikaans tintje heeft. Alles komt aanbod. Van winkels en restaurants tot organisaties en vrijwilligerswerk. Van salsa- en tangoscholen tot Latino´s in Nederland. Holanda Latina is een boek voor iedereen die om wat voor reden dan ook is geïnteresseerd in Latijns-Amerika.
Enkele weken geleden plaatste ik een contactadvertentie. Ik noemde mijn afkomst: Latino. Dat had ik beter niet kunnen doen, want ik kreeg lachwekkende reacties. De eerste briefschrijfster zei vooral te reageren omdat ze salsadansen zo leuk vond. Wat moet ze met een matige tot slechte danser als ik? Alsof alle Latino´s al salsa- en tangodansend geboren worden. Een andere dame zei ´altijd een latin lover te hebben gewild.´ Een derde ging verder: ´Ben je een neger of een mulat en dus groot geschapen?´ Pardon?
Met een ander sprak ik af in een café. Ze leek mij aardig, totdat ze zei: ´Joh, ik snap niet dat jij het hier uithoudt. Het regent vaak en de mensen zijn zo…´
Ik voelde hem al aankomen. De zoveelste klaagzang over het bekende en de veronderstelling dat het gras elders altijd groener is.
`Zo… wat?´ interrumpeerde ik haar.
Ze zuchtte en stapte over op een ander onderwerp. Exit afspraak.
(…)
Tijdens een concert van de Cubaanse groep Sierra Maestra raakte ik in gesprek met een dame. De eerste seconde vond ik haar leuk. Ze had zojuist de Dominicaanse Republiek bezocht. ´Puerto Plata is fan-tás-tisch. De mensen zijn daar arm… maar zo vrolijk! En ze kunnen zo mooi dansen!´ Dat ze zich in een ongekend luxe positie bevond - een retourticket diep in haar achterzak bijvoorbeeld - in een straatarm land, leek haar niets te zeggen.
´Ik werd in de winkels geweldig geholpen. En ze hielpen mij eerder dan andere klanten!
´Natuurlijk lieten ze je voorgaan,´ zei ik. ´Aan jou kun je rustig, en terecht, drie keer zoveel vragen als aan iemand anders.´ Einde gesprek.
Bij de uitgang kwam ik Alicia en haar vriend Erik Jan tegen, twee veteranen in ´Penotti-relaties´ die elkaar hebben gevonden. Onder een lantaarnpaal filosofeerden wij over gemengde relaties. Alicia: ´Vaak gaat het mis als een partner weinig weet over de achtergrond van de ander en niet bereid is te leren. Of als je partner juist weer te ver gaat door je land van herkomst of je achtergrond te adoreren. Je krijgt er kromme tenen van.
Vooroordelen, daar lijkt de Latino in Nederland mee te kampen te hebben, getuige dit fragment uit Holanda Latina. Een Latino is een macho, hij danst de salsa en houdt van tango. Deze vooroordelen en foutieve beeldvorming zijn het gevolg van een gebrek aan informatie en dat was voor Mariano Slutzky reden om alle gefragmenteerde informatie die er in Nederland bestaat op het gebied van Latijns-Amerika samen te brengen in zijn boek Holanda Latina dat begin december is verschenen bij uitgeverij Arena.
"Op een gegeven moment constateerde ik dat er heel weinig bekend was over Latino´s in Nederland", licht Slutzky toe. "Ik werd mij ervan bewust dat de Latino´s, hoewel hun aantal in Nederland groot is, nooit in het nieuws komen, noch positief noch negatief. Bovendien merkte ik gedurende alle commotie rond Zorreguieta en Máxima dat Nederlanders weinig weten over wat er op het gebied van Latijns-Amerika in Nederland te doen is. Mijn doel met deze gids was dus om mensen die om wat voor reden dan ook geïnteresseerd zijn in Latijns-Amerika een handvat te bieden en te laten zien dat Latijns-Amerika meer is dan salsa en Máxima."
Om het behoud van de binnenstad
Walter Lotens
De Unesco in Paramaribo
'Een vervallen provinciale elegantie: met palmen beplante straten, stoffige trottoirs en houten huizen.' Zo beschreef V.S. Naipaul in zijn boek The Middle Passage in 1962 de charme van Paramaribo. Veertig jaar later bevestigt Unesco zijn oordeel: de historische binnenstad verschijnt op de werelderfgoedlijst. Proficiat Paramaribo, maar niet te snel gejuicht, want de historische schaapjes zijn nog niet op het droge.
Samen met onder andere een Afghaanse minaret, een Indiaas tempelcomplex en een Mexicaanse Maya-stad werd historisch Paramaribo tijdens de 26e bijeenkomst van de Werelderfgoedcommissie op 27 juni 2002 in het Hongaarse Boedapest officieel op de World Heritage List van Unesco geplaatst. Daarmee verschijnt de Surinaamse hoofdstad op het cultureel wereldforum samen met 712 andere locaties 'van uitzonderlijke universele waarde' in niet minder dan 124 landen. Waarom heeft de Paramaribose binnenstad zo'n bijzondere betekenis?
Ze is volgens Unesco een uitzonderlijk voorbeeld van de vermenging tussen Europese architectuur en constructietechnieken, en inheemse Zuid-Amerikaanse materialen. Architect Harrarain Jankipersadsingh die het dossier al jaren volgt, beaamt dit: "Door de eigen bouwtraditie waaraan het Surinaamse volk zijn identiteit ontleent, verdienden de houten huizen het als cultureel erfgoed te worden beschouwd en bewaard te worden voor de toekomst. Een dergelijke unieke architectuur, gemaakt met goedkope bouwmaterialen, komt haast nergens voor. De witte houten huizen maken Paramaribo uniek."
Deze nominatie kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Het proces van opname is een lange en moeizame weg geweest," verduidelijkt Jankipersadsingh die verwijst naar de inspanningen van wijlen professor Frits van Voorden in het begin van de jaren negentig. Van Voorden was toen voorzitter van de Nationale Unesco Commissie Nederland. In 1998 werd door de toenmalige regering-Wijdenbosch het nominatiedossier bij Unesco ingediend. In 1999 deed een evaluatiecommissie onder leiding van architect Esteban Prieto Suriname aan en vanaf toen kwam alles in een stroomversnelling.
Susana Baca
Vincent Kramer
Parel van de Afroperuaanse muziek
In de stillere momenten van de muziek kun je een zacht bonken horen van de Noite Brasil in de grote zaal. Het benadrukt de intimiteit van de kleine zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Een intimiteit die Susana Baca koestert en waarin ze verhalen zingt, danst en speelt. Oude verhalen die onverwacht een actualiteit kregen door de aanslag op het World Trade Center.
Ze speelt oude muziek uit Peru, die op uitsterven stond toen Susana Baca er mee opgroeide. Afroperuaanse muziek hoor je ook nu nog niet snel buiten Peru. Maar de muziek komt zowel in Europa als de Verenigde Staten steeds meer in de belangstelling. Gedeeltelijk omdat het meelift op de hernieuwde aandacht voor 'oorspronkelijke' Latijns-Amerikaanse muziek, maar ook omdat over de zwarte muziek een behapbaar sausje wordt gegoten. Gelukkig is de band van Baca erg zuinig met de saus -hier in de vorm van een electrische contrabas-, en krijgen de cajon, gitaar en percussie, waaronder een ezelskaak en een enorme kalebas, alle ruimte. Samen leggen de muzikanten een subtiel tapijt neer, waarop zangeres Susana Baca, blootsvoets en in het wit, met haar zang het publiek in haar greep krijgt.
Tijdens het opnemen van haar jongste cd kreeg de smartelijke muziek onverwacht een extra lading. De opnames in New York waren nog maar net begonnen, toen een paar straten van de studio de aanslag op het WTC plaatsvond. Later vertelt Baca hierover: "We dachten eerst dat we de opnames uit moesten stellen. Maar ik besloot juist door te zetten. In Peru hebben we tien jaar terreur van Sendero Luminoso meegemaakt. Terreur mag je niet verlammen. Er was veel onzekerheid en angst in de dagen na 11 september. De studio werd een soort heiligdom en de muziek een balsem."
Mama Bobi koestert bosnegercultuur
Walter Lotens
Cultureel centrum richt zich op Frans Guyana en op Suriname
Surinaamse binnenlandbewoners bewegen zich met veel gemak aan de twee oevers van de Marowijne. Ook aan de Franse kant is dezelfde bosnegercultuur springlevend. Het Cultureel Centrum Mama Bobi speelt daarin een belangrijke rol. Rond de Marowijne bestaat geen binnen- en buitenland. De rivier is geen scheidingslijn, maar een verbindingsteken.
Aan de Avenue de Gaulle, in het centrum van Saint Laurent du Maroni, huist Mama Bobi. Een winkeldeur geeft toegang tot een soort vergaderruimte. Tegen de muur hangen tientallen geometrische schilderijtjes. "Dat is een Tembe-tentoonstelling van marrons, gevluchte slaven, uit Frans-Guyana," verduidelijkt Antoine Lamoraille. Hij is coördinator van Mama Bobi en samen met Gérard Guillemot de motor achter het cultureel centrum dat in 1989 werd opgericht
Gérard Guillemot groeide op in het noorden van Afrika. Daarna heeft hij een tijd in zwart Afrika gewoond. Hij raakte ten zeerste geïnteresseerd in dekolonisatieprocessen. Niet alleen in politiek en geografisch opzicht, maar ook vanuit het leren begrijpen van de magisch-religieuze ruimtes - winti en voodoo - die sterk beïnvloed werden door de slaven die vanuit Afrika werden aangevoerd. Eerst trok hij van Afrika naar Brazilië en vandaar belandde hij in 1975 als Franstalige in Frans-Guyana. "Er was bij mij een sterke politieke motivatie aanwezig om die dekolonisatiebewegingen te ondersteunen, maar tevens een grote culturele nieuwsgierigheid om de overlevingsmechanismen van een Afrikaanse cultuur in een Caribische setting te leren begrijpen." De ex-journalist en psycho-analyticus woonde in Apatou, vlak aan de Marowijne, en nu in Saint Laurent du Maroni. "Ik voel me in Frans-Guyana, dat nog een van de weinige niet-gedekoloniseerde landen ter wereld is, maar waar er vanuit de plaatselijke bevolking een sterke culturele weerstand wordt geboden, dan ook ten zeerste op mijn gemak", verklaart hij zijn honkvastheid in het dunbevolkte land.
|