REDACTIONEEL
Maja Haanskorf
Schuld en boete
Voor de katholieken is het iedere zeven jaar raak. Dan moet er boete worden gedaan om de schulden van de voorgaande jaren in te lossen. Zo werd het jaar 2000 uitgeroepen tot het internationale 'Jubeljaar'. Allerlei kerkelijke en maatschappelijke organisaties zetten zich dat jaar wereldwijd in om tot verlichting van de schuldenlast van de arme landen te komen. Sindsdien zijn er allerlei initiatieven op dit gebied genomen.
Ook Nederland heeft aan schuldenverlichting gedaan. Een edelmoedige daad, want de hoge schuldenlast houdt veel derde wereldlanden in een wurggreep. Kunnen deze landen het geld niet beter besteden aan onderwijs, gezondheidszorg en verbetering van hun economie dan aan het aflossen van hun schulden? Natuurlijk, en daarom betaalt Nederland de verlichting van schulden uit het hulpbudget. Onze regering is Jezus niet, die destijds de woekeraars uit de tempel schopte. Minister Van Ardenne koppelt christelijk geloof aan een gezonde dosis Hollands ondernemerschap.
Inmiddels zijn er studies verschenen naar de effecten van de verlichting van de schuldenlast. Heeft het geleid tot een toename van de economische groei in de arme landen? Nou nee, constateert het Nederlandse rapport, dat onder leiding van Geske Dijkstra van de Erasmus Universiteit tot stand is gekomen. Erger nog, het is 'dweilen met de kraan open'. Welke indicator van economische groei er ook op wordt losgelaten, de uitkomsten variëren van negatief tot een miniem plusje. Grote boosdoeners zijn de multilaterale geldschieters, zoals het IMF en de Wereldbank. Die blijven leningen verstrekken aan landen, waarvan van tevoren al duidelijk is dat ze die nooit kunnen terugbetalen.
Rare jongens, die geldschieters, zou je zeggen. Eerder slimme jongens, want zij staan vooraan bij de vereffening van schulden. Ieder land dient eerst zijn schulden aan IMF en Wereldbank af te betalen en dan pas komen alle andere schuldeisers. Bovendien is het IMF de instantie die bepaalt of een land in aanmerking komt voor een lening. Dat land dient dan aan een schier oneindig aantal voorwaarden te voldoen. Of beter gezegd, het land moet beloven aan die voorwaarden te gaan voldoen. Dat gebeurt zelden, maar intussen leidt het afgegeven 'brevet van goed gedrag' ertoe dat ook andere geldschieters over de brug komen. Het IMF zegt immers dat het goed is.
In Nederland neemt het ministerie van ontwikkelingssamenwerking (OS) verliezen van bedrijven die investeren in arme derde wereldlanden -een groot risico immers- voor haar rekening. In de vorm van exportkredieten doet het ministerie vast boete, omdat zij zich schuldig acht aan het stimuleren van het bedrijfsleven actief te worden in dergelijke arme landen. Voor 2005 heeft OS vast 470 miljoen euro uitgetrokken voor exportkredieten. Daarmee lopen bedrijven net zo weinig risico als het IMF: het geld stroomt altijd weer terug naar de bron.
Wie echt boete wil doen, houdt op met het verstrekken van leningen en biedt alleen hulp in de vorm van giften. In plaats van talloze condities vooraf, kan het ontvangende land beter achteraf worden beoordeeld op de besteding van de gelden.
Dan is er nog een derde speler: de hypocrisie. Die is onlosmakelijk verbonden met schuld en boete. Verlichting van schulden is hypocriet, zolang als die ten koste gaat van hulp en zolang er tegelijk nieuwe leningen worden verstrekt. Ze is ook hypocriet, zolang vrijhandelsverdragen gedicteerd worden door de rijke landen. De arme landen hebben immers geen enkele onderhandelingspositie, gevangen als ze zijn door schuld en boete, ofwel door leningen en aflossingen. Verlicht of
niet.
Vrijhandel is geen wondermiddel
Rob Vos
Gevolgen van liberalisering in Latijns-Amerika
Lijnrecht staan ze tegenover elkaar, de voor- en tegenstanders van liberalisering en wereldwijde vrijhandel. De neoliberalen roemen de toegenomen economische groei en werkgelegenheid. De anders-globalisten wijzen op de toegenomen ongelijkheid en armoede. Wie heeft er gelijk? Rob Vos, als hoogleraar Finance & Development verbonden aan het Institute of Social Studies in Den Haag, laat zien dat het niet zo eenvoudig ligt. Hij coördineerde een recente studie in zestien landen van Latijns-Amerika. Zijn voornaamste conclusie is dat vrijhandel weliswaar positieve economische effecten oplevert, maar dat er ook belangrijke verliezers zijn. Het continent is wellicht te hard van stapel gelopen met het proces van liberalisering. "De neoliberalen moeten niet al te hard juichen, maar er is ook geen reden om al te hard te hoop te lopen tegen de
WTO."
In geen andere regio in de wereld is zo radicaal geprobeerd het overheidsingrijpen n de economie terug te dringen als in Latijns-Amerika. Vrijere internationale handel vormt een centraal onderdeel van deze drang naar liberalisering. De meeste landen in de regio hebben in een zeer kort tijdsbestek hun markten vrijwel geheel opengesteld voor buitenlandse producten. Rond 1990 werden de hoge invoertarieven drastisch verlaagd en andere restricties op buitenlandse handel verwijderd. De liberalisering van de handel ging bijna zonder uitzondering gepaard met andere markthervormingen, zoals het verwijderen van veel overheidsbeperkingen in de financiële sector en het kapitaalverkeer, afschaffing van subsidies op binnenlandse producten en het verkopen van staatsondernemingen aan de particuliere sector.
De voorstanders van deze hervormingen beloofden dat - eenmaal bevrijd van inefficiënte overheidsbemoeienis - economische voorspoed het voorland van Latijns-Amerika zou worden. Tegenstanders wezen erop dat het vrijhandelsbeleid niets heeft opgeleverd in termen van economische groei, sterker nog, dat het alleen maar tot meer armoede heeft geleid. Deze anders-globalisten leken vorig jaar september in Cancún een overwinning te boeken toen een aantal grote ontwikkelingslanden, waaronder Brazilië, India en Mexico, een akkoord voor verdere liberalisering van de wereldhandel onder de vlag van de wereldhandelsorganisatie (WTO) wisten te blokkeren.
Dit heeft echter de drang om tot verdergaande vormen van vrijhandel te komen niet verminderd. De WTO-besprekingen gaan verder en 'Cancún' heeft in elk geval opgeleverd dat de rijke landen zich nu in principe bereid hebben getoond om hun handelsbeperkingen die de belangen van ontwikkelingslanden aantasten versneld af te bouwen. De enorme landbouwsubsidies voor onder andere melk, suiker, katoen, rijst en maïs die door de Europese Unie, de Verenigde Staten en Japan aan hun boeren worden verstrekt, benadelen de boeren in arme landen en dus ook in Latijns-Amerika. Tegelijkertijd zijn de meeste landen in de regio bezig met het sluiten van nieuwe, bilaterale of regionale, vrijhandelsakkoorden met de Verenigde Staten in het kader van de zogenaamde Free Trade Area of the Americas (FTAA of ALCA, in de Spaanse afkorting). Dit moet van de hele regio een soort EU maken, althans waar het gaat om goederenhandel. Chili heeft al in 2003 een verdrag met de VS gesloten. De gezamenlijke Centraal-Amerikaanse landen deden dat dit jaar onder de vlag van CAFTA. Mexico sloot in 1994 al een vrijhandelsakkoord met de VS en Canada (NAFTA) en de meeste andere landen zijn in een vergevorderd stadium van onderhandeling.
Op veel plaatsen in de regio hebben protestbijeenkomsten plaatsgevonden tegen deze nieuwe vrijhandelsinitiatieven. Het is niet moeilijk op muren graffiti's te vinden die zeggen: "ALCA: No!" of "ALCA = hambre" (honger). De protesten komen meestal van linkse groeperingen en boerenorganisaties, maar niet uitsluitend. Ook elites met industriële belangen die voorheen door hoge invoertarieven genereus werden beschermd, voelen zich bedreigd.
Het is geen geheim dat de meeste landen van de regio er momenteel niet geweldig voorstaan. Maar stelt dit de tegenstanders van de onderhandelingen over verdergaande vrijhandel in het gelijk? Ligt het aan ALCA en de eerdere vrijhandelsmaatregelen, of gaat het minder goed ondanks de vruchten van vrijhandel?
En klopt het wel dat de armen, vooral die op het platteland, de dupe zijn van vrijere handel? Op basis van een recente studie in 16 landen uit de regio die ik samen met enkele collega's heb gecoördineerd, zal ik proberen een antwoord te geven op deze vragen.
Handel en groei
Volgens de cijfers ging het na 1990 aanvankelijk economisch een stuk beter in Latijns-Amerika. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg gemiddeld met bijna 2 procent per jaar in de eerste helft van de jaren negentig, terwijl er in de jaren tachtig nog een daling was van ongeveer 1,5 procent per jaar. Een enkele uitzondering daargelaten, nam de economische groei echter weer af na 1995 tot onder de 1 procent per jaar. Alle landen hebben sinds 1995 tenminste één crisisjaar gekend met een absolute daling van de gemiddelde welvaart. Een aantal landen, zoals Argentinië, Ecuador, Paraguay, Uruguay en Venezuela, hebben zelfs zeer diepe dalen moeten doormaken. Daar staat tegenover dat in een aantal landen, althans voor delen van de periode sinds 1990, er ook zeer substantiële economische verbeteringen zijn waar te nemen, zoals in Argentinië (vóór 1995), Chili, Dominicaanse Republiek, Mexico (na 1995), en Nicaragua (na 1995).
Als we wat nauwkeuriger kijken naar de groeiprestaties van de landen in de regio, dan valt een aantal zaken op. Allereerst verschillen de prestaties sterk van land tot land, terwijl het handelsbeleid juist zeer veel overeenkomsten vertoont. Dat kan erop wijzen dat het vrijer maken van de handel niet overal hetzelfde effect heeft. Het kan ook betekenen dat andere factoren en andere aspecten van beleid minstens even belangrijk zijn voor het bepalen van die uitkomst. Daarnaast is de geconstateerde economische groei zeer instabiel. Vrijere handel is dus geen garantie voor stabiele groei. Sterker nog, in alle landen zijn de exporten de belangrijkste motor geworden van economische groei. Dit is een te verwachten gevolg van een beleid van vrijere handel. Tegelijk zijn de Latijns-Amerikaanse landen echter meer gaan importeren, waardoor veel, zo niet alle extra deviezenopbrengsten naar het buitenland terugvloeien. Door de grote afhankelijkheid van exportgroei zijn de economieën ook afhankelijker geworden van de groei van de wereldhandel en vooral de groei in de Verenigde Staten, de voornaamste handelspartner van praktisch alle landen in de regio. Een zwakkere economie in de VS betekent minder groei in Latijns-Amerika.
Dit probleem wordt nog versterkt doordat de meeste landen een weinig divers exportpakket hebben en afhankelijk zijn van enkele landbouw- en/of mijnbouwproducten. Zo is Bolivia vooral afhankelijk van gas, grootschalige landbouw - zoals sojabonen - en cocabladeren voor de exportopbrengsten. Tweederde van Ecuador's exporten bestaat uit olie, bananen, koffie en garnalen. Deze afhankelijkheid van de uitvoer van landbouw- en/of mijnbouwproducten klinkt als een ouderwets probleem en dat is ook zo. Vijftien jaar vrijhandelsbeleid heeft hier relatief weinig verandering in aangebracht. Vooral in de Zuid-Amerikaanse landen, wellicht met uitzondering van Chili en Brazilië, zien we weinig groei van zogenaamde niet-traditionele exporten. In een aantal landen is wel een groei te zien van de export van nieuwe landbouwproducten. Zo voeren Ecuador en Colombia rozen en andere bloemen en vruchten uit. Op de totale exportopbrengsten zetten dit soort niet-traditionele exporten weinig zoden aan de dijk.
Dit is anders in de meeste landen van Midden-Amerika, Mexico en de Dominicaanse Republiek. Daar hebben speciale vrijhandelsafspraken met de VS en belastingvoordelen voor buitenlandse investeerders ervoor gezorgd dat de export van niet-traditionele industriële producten is bevorderd. Het gaat hier vooral om afzet van assemblageproducten als overhemden, T-shirts, schoenen en elektronische apparaten, gemaakt in de zogenaamde maquila-industrie. Deze exporten bieden echter evenmin garanties voor de toekomst, zoals de genoemde landen in de afgelopen jaren hebben ondervonden. Veel buitenlandse bedrijven, waaronder Philips, zijn hun productie aan het verplaatsen, vooral naar Azië en met name naar China. Als dit één ding duidelijk maakt is het wel dat het opengooien van de markten niet automatisch leidt tot beter concurrerende industrieën. Samenvattend moeten we tot de pijnlijke constatering komen dat meer vrijhandel heeft geleid tot een sterkere exportafhankelijkheid, maar zonder dat de Latijns-Amerikaanse landen zich een betere concurrentiepositie hebben weten te verwerven op de wereldmarkt.
Meer of minder armoede
Het is niet eenvoudig om hiermee ook te concluderen dat de toenemende vrijhandel heeft geleid tot meer armoede. Anders-globalisten wijten een verslechtering van de economie al snel aan het verkeerde (liberaliserings-)beleid en dat zou dan weer de oorzaak zijn van grotere armoede. Om te beginnen is het al lastig vast te stellen hoe de armoede zich ontwikkelt door onvolkomenheden in de armoedecijfers en doordat soms verschillende definities worden gehanteerd van het begrip armoede. Dit leidt regelmatig tot spraakverwarring. De Economische Commissie voor Latijns-Amerika (CEPAL) geeft de meest complete en vergelijkbare cijfers voor inkomensarmoede gebaseerd op nationale statistieken. Volgens deze bron is, in absolute zin, het aantal armen met zo'n 20 miljoen mensen gestegen tussen 1990 en 2002. Echter, in relatieve zin, is het percentage armen als deel van de totale bevolking afgenomen van 48 procent naar 44 procent (zie tabel). Gegevens van de Wereldbank laten een vergelijkbare tendens zien, ook al is de schatting van de mate van armoede lager dan die van CEPAL.
Met andere woorden, op grond van dezelfde gegevens zouden we kunnen concluderen dat de armoede zowel is gedaald als gestegen, afhankelijk van of we naar de absolute cijfers of naar de percentages kijken. Bovendien geeft de tabel slechts de optelsom van alle landen uit de regio en de trends verschillen nogal sterk per land. Zo zien we in Brazilië, Chili, Costa Rica, Guatemala, Panama en Uruguay sterke dalingen van de armoede tussen 1990 en 1999 met een belangrijke afzwakking daarna. In Mexico daalt de armoede sterk met het herstel na de crisis van 1995. In andere landen gaat de armoede op en neer, maar soms met heel sterke stijgingen in periodes van financiële crises zoals in Argentinië (na 2000), Ecuador (1999), Paraguay (na 1996), Uruguay (na 1999) en Venezuela. Je kunt je dan afvragen of vrijhandel in het ene land tot meer armoede leidt en in het andere land tot minder
armoede.
Tabel Armoede en extreme armoede in Latijns Amerika sinds 1980
| |
Totale
armoede - a |
Extreme
armoede - b |
|
|
aantal armen
(in miljoenen) |
% van de totale
bevolking |
aantal armen
(in miljoenen) |
% van de totale bevolking |
|
1980 |
136 |
40.5 |
62 |
16.6 |
|
1990 |
200 |
48.3 |
93 |
22.5 |
|
2002 |
221 |
44.0 |
99 |
20.0 |
Toelichting: (a) Totale armoede geeft het aantal mensen aan dat onder de armoedegrens leeft. De armoedegrens is vastgesteld als een inkomen dat voldoende moet zijn om in een aantal minimale levensbehoeften te voorzien zoals voedsel, kleding, huisvesting, transport, onderwijs en gezondheidszorg. Armoedegrenzen per land zijn op vergelijkbare wijzen vastgesteld. (b) Extreme armoede geeft aan dat mensen een inkomen hebben dat minder is dan de kosten van een minimum voedselpakket.
Bron: Zie onderaan artikel (Tabel 3.6)
Wel of geen ALCA
Het is moeilijk vast te stellen wat het precieze effect is van specifiek beleid, omdat de uitkomst afhangt van het samenspel van veel verschillende factoren. Bijvoorbeeld, als een land de invoertarieven verlaagt dan zal dat een aantal producten goedkoper maken en dat is een voordeel voor de consument en voor de producent die de producten gebruikt voor verdere verwerking. Dat kan dus goed zijn voor de werkgelegenheid en de armoede verlagen. Maar de producenten die moeten concurreren met deze goedkopere importen zullen wellicht het loodje leggen en dat is weer slecht voor de werkgelegenheid. Je zou echter ook mogen verwachten dat ondernemers gestimuleerd worden om efficiënter te gaan produceren wat op termijn ten goede zou moeten komen aan de economische groei en de werkgelegenheid. Op voorhand zijn de uitkomsten dus onzeker. Voorstanders van vrijhandel wijzen er graag op dat de verwachte uitkomst juist goed is voor arme landen, omdat die zich dan zullen gaan specialiseren in zaken die ze het beste kunnen produceren. Daarbij kunnen ze gebruik maken van een overschot aan ongeschoolde arbeid, waardoor werkgelegenheid voor de armste delen van de bevolking wordt bevorderd. Maar dat is de theorie en de vraag is of de armen in Latijns-Amerika daar een boodschap aan hebben.
In de eerdere genoemde studie zijn met behulp van economische modellen voor elk van de landen de gevolgen van het vrijhandelsbeleid doorgerekend. Opvallend is dan dat meer vrijhandel in bijna alle landen, behalve in Brazilië en Venezuela, tot meer economische groei leidt door de stimulans voor exporten. Die verwachte welvaartsgroei is sterker onder een regionaal (ALCA) of mondiaal (WTO) scenario dan wanneer de landen unilateraal, door eenzijdig de tarieven te verlagen, aan vrijhandel doen. Dit komt omdat regionale of mondiale afspraken een extra positief effect zullen hebben op exportprijzen voor Latijns-Amerikaanse producten. Wanneer in Europa en de VS de subsidies op bijvoorbeeld suiker en katoen worden afgeschaft, zullen de prijzen voor die producten op de wereldmarkt niet langer kunstmatig hoog worden gehouden. Dit nieuws moet echter niet met al te veel enthousiasme worden gebracht omdat de welvaartsgroei eigenlijk maar gering is: meestal niet meer dan één procent extra groei.
Een ander effect van vrijhandel is dat lonen en werkgelegenheid stijgen dankzij de groei van de handel, vooral in de moderne sectoren van de economie. In de meeste gevallen zijn de voornaamste verliezers de boeren en werknemers in voorheen beschermde traditionele landbouwsectoren, zoals maïs en bonen, of traditionele industrieën gericht op de binnenlandse markt, zoals textiel en voedselverwerking. Maar het banenverlies in deze sectoren is minder dan de nieuwe werkgelegenheid elders in de economie aan banen oplevert.
Wat roet in het eten gooit van dit totnogtoe redelijk positieve verhaal, is een stijging van de inkomensongelijkheid op de arbeidsmarkt. Het verder openstellen van de grenzen leidt vooral tot groei van beter betaalde banen voor beter opgeleide werknemers in de moderne sector. Ongeschoolde arbeiders zijn doorgaans de verliezers. De grotere vraag naar geschoolde arbeid ligt in de aard van de sector, zoals het toerisme in Costa Rica of de Dominicaanse Republiek, of in de introductie van nieuwe technieken in industrieën en dienstensectoren, zoals telecommunicatie, als gevolg van de grotere concurrentiedruk. Latijns-Amerika kende al enorme loonsverschillen; de liberalisering van de handel heeft dat verder vergroot.
Ondanks deze nadelige gevolgen voor groepen ongeschoolde arbeiders en boeren in delen van de economie, is de totale werkgelegenheidsgroei en verbetering van de lonen zo groot dat de totale armoede toch daalt door de toegenomen handel. Alleen in Ecuador en Paraguay blijken de vrijhandelsscenario's tot meer armoede te leiden omdat de nadelen voor belangrijke sectoren van de landbouw daar te groot zijn. Net als voor de economische groei geldt echter dat de effecten op armoedevermindering zeer gering zijn.
Magertjes
Op grond van deze economische analyse is er dus in het geheel geen reden om te hoop te lopen tegen ALCA of WTO. Meer vrijhandel leidt juist tot meer werkgelegenheid en minder armoede in bijna alle landen van de regio en dit pakt het voordeligst uit wanneer de rijke landen hun landbouwsubsidies en protectionisme laten varen, het WTO-scenario. Omgekeerd, zo wijst de analyse ook uit, is een terugkeer naar meer protectionisme juist ongunstig voor welvaart en armoedebestrijding. Maar ook de neoliberalen moeten niet al te hard juichen. De positieve resultaten zijn zacht gezegd zeer magertjes en vrijhandel is alles behalve het wondermiddel om de grote economische en sociale problemen in Latijns-Amerika op te lossen. Het meest zorgwekkend is dat in een regio met al zo veel ongelijkheid, de drang naar meer integratie met de wereldeconomie daar nog een schepje bovenop heeft gedaan. Een meer fundamentele oorzaak van die recente toename van de ongelijkheid is het gebrek aan voldoende investeringen in onderwijs. Hoewel de toegankelijkheid van het lager onderwijs tijdens de afgelopen decennia in de hele regio is verbeterd, is er veel te weinig vooruitgang in de kwaliteit van dat onderwijs en in de doorstroming naar middelbaar en technisch onderwijs. Door het tekort aan beter geschoolde mensen zijn de verschillen in beloning op de arbeidsmarkt toegenomen en is het voor veel bedrijven moeilijk de productiviteit te verbeteren. Daarnaast zijn er slechts zeer gebrekkige sociale vangnetten. Het is mooi als vrijhandel meer werk oplevert voor de economie als geheel, maar de maïsboer die zijn bestaan als boer bedreigd ziet, zal niet een twee drie emplooi vinden in de maquila-industrie. De verliezers zijn dus meestal ook echt verliezers en de aanpassing aan een nieuwe economische werkelijkheid verloopt alles behalve gladjes. Achteraf moeten we dus concluderen dat Latijns-Amerika wellicht wat te hard van stapel is gelopen met het liberaliseringproces, ondanks de economische voordelen die dit kan bieden. Zonder verdergaande sociale hervormingen zullen de baten hooguit erg mager blijven en bleekjes afsteken tegen de lasten van grotere ongelijkheid en uitsluiting van grote delen van de
bevolking.
Enrique Ganuza, Samuel Morley, Sherman Robinson en Rob Vos (2004) ¿Quién se beneficia del libre comercio? Promoción de exportaciones y pobreza en América Latina y el Caribe en los 90, Alfaomega Publishers (Bogotá). Binnenkort zal ook een Engelstalige versie verschijnen, Who gains from Free Trade? Export promotion, inequality and poverty in Latin America, Routlegde (London). Het onderzoek werd verricht in samenwerking met experts in elk van de 16 landen.
Zelfbouwwijk Villa El Salvador in Lima na 33 jaar
Dorien Dijkhuis
Solidariteit als bouwsteen
In 1971 begonnen landbezetters een eigen wijk te bouwen op een kale zandvlakte bij Lima. Hun schepping, Villa El Salvador, gold al snel als een voorbeeld van zelfbestuur en onderlinge solidariteit. Ook nu er 400.000 mensen wonen, is de solidariteit nog opmerkelijk sterk. Wel vrezen de pioniers dat de nieuwe generaties zich meer zullen richten op hun beperkte
eigenbelang.
Villa El Salvador. Een verhaal dat 33 jaar geleden begon toen duizenden armen uit Lima en van het platteland een terrein bij de stad bezetten. Dat gebied lag vlakbij een rijke buitenwijk van Lima, waar de bewoners protesteerden tegen de komst van de arme migranten. Bovendien verwachtte Lima in de lente van 1971 hooggeëerd bezoek dat de aandacht van de media trok. Het zou dus een schandaal worden als de migranten in het gebied zouden blijven. De nationalistisch-militaire regering van generaal Velasco liet de politie de bezetters tegenhouden. Na bemiddeling van de katholieke kerk mochten de bezetters zich vestigen op een zandvlakte, twintig kilometer van het centrum van Lima. Daar begonnen zij met de bouw van hun dorp. Van rieten matten bouwde men huisjes in gelijk verdeelde blokken. Zij noemden de stad Villa El Salvador, de Stad der Verlosser. Gebouwd dankzij de solidariteit onder de inwoners die allemaal met dezelfde problemen kampten. Na een jaar woonden er al 100.000 mensen.
Tussen dollars en liefde
Maja Haanskorf
Onderzoek naar prostitutie op Cuba
De antropologe Laurien Lubbers woonde vijf maanden in Havana. In die tijd sprak ze met
jineteras, prostituees, en 'gewone' Cubanen om greep te krijgen op dit
verschijnsel. Hoe kijken Cubanen tegen deze vrouwen aan en hoe zien zij
zichzelf? En hoe valt het bestaan van prostitutie en de beeldvorming erover te rijmen met de revolutionaire retoriek van Cuba?
'Alle vrouwen zijn jineteras', zegt een Cubaanse tegen Lubbers.
'Mijn eerste Cubaanse nacht breng ik door in Varadero, Cuba's toeristische trekpleister op 140 kilometer van Havana. Voor het hotel en in de hoofdstraat lopen tientallen meisjes en
vrouwen. Twee meisjes hebben binnen enkele minuten een paar Mexicanen aan hun
zij. Op het terras zitten enkele Duitsers met hun Cubaanse
vriendinnen.' Zo begint Laurien Lubbers haar boek Politieke
relaties, Cubaanse verhalen over de revolutie en prostitutie. Het gaat over een speciaal soort
prostitutie, die exclusief is gericht op buitenlanders. "Je hebt ook
putas, Cubanen spreken van gewone hoeren, die het met Cubaanse mannen
doen. Dat is iets heel anders dan een jinetera zijn. Die beweegt zich tussen een gezelschapsdame en een dollarhoertje in, afhankelijk van hoe ze haar contacten met buitenlandse mannen
vormgeeft. Ze is hoe dan ook chiquer dan een puta", vertelt Laurien Lubbers. We spreken elkaar in
Nijmegen, de stad waar ze haar studie antropologie volgde. Haar Cubaanse leeronderzoek leverde haar de
prof.dr.C. Halkes scriptieprijs op, voor 'de beste en meest vernieuwende scriptie op het terrein van gender, emancipatie en
vrouwenstudies.'
Argentijnse politie op de
schop, of toch niet?
Anke Welten
Hervormingsplannen weer actueel
Een groot deel van de Argentijnen associeert de politie in met name de provincie Buenos Aires nog steeds met de politie in de periode van de militaire dictatuur en voor een deel is dat terecht. In de twintig jaar die zijn verstreken na het einde van de dictatuur is er nooit een bewust veiligheidsbeleid bepaald. De regering-Kirchner lijkt vast van plan om daar wat aan te doen en krijgt daarbij uit onverwachte hoek hulp: angstige bewoners van de betere buurten van Buenos Aires die roepen om een hardere aanpak van de groeiende
criminaliteit.
Gewapende overvallers van een restaurant in Buenos Aires lieten begin juni van dit jaar een wel heel eigenaardig aandenken achter: een politiepet. Analisten zijn het erover eens dat dit geen toeval geweest kan zijn. De aanval was onderdeel van een geweldsgolf die plaatsvond nadat 303 politieagenten ontslagen waren omdat zij misdrijven hadden gepleegd of gedoogd. Het massaontslag maakte deel uit van een schoonmaakactie als onderdeel van de hervorming van de provinciale politie in Buenos Aires. Met de achtergelaten pet maakten de overvallers duidelijk hun ontslag niet lijdzaam naast zich neer te
leggen.
Boek over internationaal terreurnetwerk Operatie Condor
Jan de Kievid
VERENIGDE STATEN GAVEN GROEN LICHT
Pinochet moet zich voor de rechter verantwoorden voor misdaden van Operatie Condor, het terreurnetwerk van Latijns-Amerikaanse dictaturen. Door het vrijkomen van duizenden documenten is de afgelopen jaren veel over Condor bekend geworden. Daardoor kon John Dinges in zijn nieuwste boek de Condororganisatie nauwkeurig reconstrueren. Het blijkt dat de Verenigde Staten veel meer wisten dan zij destijds wilden
toegeven.
Sinds het Chileense Hooggerechtshof op 26 augustus de onschendbaarheid van Pinochet ophief, is Operatie Condor weer in het nieuws. Niet alleen zijn ondergeschikten, maar ook de ex-dictator zelf moet zich nu verantwoorden voor de misdaden van dit internationale terreurnetwerk. Bij een eerste verhoor op 25 september beweerde Pinochet zich niets van Condor te herinneren. Volgens de toenmalige chef van zijn geheime dienst DINA, Manuel Contreras, bespraken hij en Pinochet zulke zaken echter dagelijks aan het ontbijt.
Operatie Condor gold tot voor kort als een schimmige organisatie, die duizenden mensen liet vermoorden of verdwijnen. Beleidsmakers uit de Verenigde Staten vertelden jarenlang dat zij er weinig van afwisten. Dat klopt niet, zo blijkt uit geheime documenten die de VS afgelopen jaren hebben vrijgegeven. De Noord-Amerikaanse onderzoeksjournalist John Dinges heeft de puzzelstukken bij elkaar gevoegd in The Condor Years. How Pinochet and his Allies Brought Terrorism to Three Continents. Dinges is een oude rot in het vak. Hij verbleef van 1972 tot eind jaren zeventig in Chili, waar hij in 1973 de staatsgreep tegen de socialistische president Allende meemaakte en tijdens de dictatuur vier maal werd opgepakt. In 1980 publiceerde Dinges met Saul Landau een boek over de moord door de Chileense geheime dienst in 1976 in Washington op Orlando Letelier, minister onder Allende.
Toerisme tussen de para's in Colombia
Mark Weenink
De Verloren Stad
De Verloren Stad, zo luidt de mystieke naam van een van Colombia's belangrijkste restanten van pre-Colombiaanse beschavingen. In de bergen van de Sierra Nevada nabij de Caribische kust liggen de fundamenten van wat eens een grote nederzetting was van het inheemse Tairona-volk. Tegenwoordig wordt het gebied bewoond door hun afstammelingen, de Kogi's, die de Verloren Stad als heilig beschouwen. Rechtse paramilitairen controleren de Sierra Nevada. Toch is het voor toeristen geen probleem om een excursie naar De Verloren Stad te boeken. Zaken zijn
zaken.
De weinige backpackers die Colombia tijdens een rondreis in Zuid-Amerika aandoen, rekenen een trip naar de Verloren Stad tot de absolute hoogtepunten. La Ciudad Perdida, zoals de stad op zijn Spaans heet, is een geheel van terrassen die op verschillende hoogtes in de bergen van de Sierra Nevada liggen en onderling zijn verbonden door een wirwar van paden. Ten tijde van de verovering door de Spanjaarden, die de Verloren Stad overigens nooit hebben bereikt, bloeide de inheemse Tairona-cultuur. Tegenwoordig bevolken de Kogi's, die hoogstwaarschijnlijk afstammelingen van de Tairona's zijn, het gebied. Ze wonen temidden van de natuur en proberen hun traditionele levenswijze te behouden, ver van de bewoonde, 'geciviliseerde' wereld. Maar ook zij blijven niet gevrijwaard van het gewelddadige conflict dat Colombia teistert. In hun leefgebied zijn al vijftien jaar de rechtse paramilitairen de baas, een van de illegale gewapende groepen in Colombia. Toeristen mogen - alleen onder begeleiding van een gids - het gebied in om de Verloren Stad te bezoeken. Zaken zijn tenslotte zaken en zelfs paramilitairen hebben geen baat bij een nog slechtere reputatie dan ze nu al
genieten.
|