info noticiashome




Het volgende nummer van LA Chispa
zal medio mei 2006 verschijnen

Met daarin onder meer:


REDACTIONEEL
- Vrijheid, blijheid

- Nieuwe president Haïti heeft vreselijke baan

- Opstand in Guatemala tegen goudmijn

INTERVIEUW
- Judith Jansen over transnationale huwelijken in de Dominicaanse Republiek

- Econoom Acosta hekelt Ecuadoraans wanbeleid

- Ecuador in de klem van vrijhandel

PORTFOLIO
- Teatro del Farfullero: Unos cuantos piquetitos - naar Frida Kahlo

INTERVIEUW
- Politiegeweld in Rio de Janeiro


- Twee filmjuweeltjes: Habana Blues en Cinema, aspirins and vultures

INTERVIEW
- Documentaire 'De Witte Olifant' van Alexandrea Indaco

- Uitgelezen: Het lastige kroost van kardinaal Guzman

- Cd-recensie: Salsa Celtica


- Agenda

RUBRIEKEN

- STANDPLAATS: Honduras
- ABONNEE IN DE SCHIJNWERPER: Inge Ribbert
- BERICHTEN UIT HET VELD: Suriname
- KOKEN MET CHISPA: Surpresa de banana
- COLUMN: Iconen
- KORT LATIJNS-AMERIKAANS
Zoekt u een cadeautje met chispa?
Dan is Karma meets Inca, reisreportages uit LA Chispa (80 p.) zeker iets voor u.
De redactie van LA Chispa heeft een boekje uitgebracht met daarin de mooiste reisreportages, in tekst en foto’s, van de afgelopen vijf jaar.
> bestellen

Neem een abonnement op LA Chispa en ontvang Karma meets Inca als welkomstgeschenk.

REDACTIONEEL   Maja Haanskorf
Vrijheid, blijheid

Lag het maar zo simpel als in de uitdrukking ‘vrijheid, blijheid’ wordt gesuggereerd. Die uitdrukking bestaat natuurlijk niet voor niets, want wie wordt nu niet blij van iets dat vrij is? Vrije tijd, een vrij gevoel, vrije keuze, vrije meningsuiting –oei, nu wordt het al iets lastiger. Vrije toegang, vrije vestiging, vrijhandel – nu gaat het echt wringen. In plaats van een blij begrip, kan ‘vrijheid’ een bijzonder trieste bijsmaak hebben. En zelfs in zijn tegendeel verkeren.

In deze LA Chispa kunt u daar een aantal fraaie voorbeelden van lezen. Hoe ‘vrij’ en vooral hoe ‘blij’ de meerderheid van de Ecuadoraanse bevolking wordt van het vrijhandelsakkoord dat de regering voornemens is te sluiten met de Verenigde Staten. Alleen een kleine groep van moderne, op d export gerichte ondernemers zal van zo’n akkoord profiteren. De meeste Ecuadoranen zullen erop achteruit gaan. Hun traditionele productiewijze is niet opgewassen tegen goedkopere import uit een technisch hoger ontwikkeld buitenland. Al helemaal niet als dat buitenland vals speelt en de eigen producenten met subsidies steunt..

Bachelet volgt haar sociaal-democratische partijgenoot Ricardo Lagos op, wiens regering door de Chileense politicoloog Manuel Antonio Garretón ‘de meest succesvolle in de geschiedenis van Chili en van Latijns-Amerika’ is genoemd. Lagos heeft daarbij het economisch tij mee gehad en kunnen oogsten wat al jaren was voorbereid. De grondwet is na vijftien jaar eindelijk ontdaan van bijna alle dictatoriale elementen: er zijn geen door de militairen aangewezen senatoren meer en de strijdkrachten zijn nu ondergeschikt aan de gekozen president. Echtscheiding is wettelijk mogelijk geworden, het martelen onder de dictatuur is onderzocht en Pinochet en andere mensenrechtenschenders zijn volledig in het defensief geraakt.

De vrijheid van bedrijven zich te vestigen waar ze maar willen leidt vaker niet dan wel tot blijheid. Zo is de inheemse bevolking van het departement San Marcos in Guatemala allesbehalve blij met de komst van een Amerikaans mijnbedrijf dat in hun woongebied een goudmijn gaat ontginnen. Aan de bevolking is niets gevraagd, zodat ze ook niet officieel ‘nee’ kon zeggen. Dat moest ze laten horen in protestdemonstraties, waardoor de leiders van het protest bedreigd werden met de dood. Einde vrijheid.

Dan is er nog de vrijheid die groepen zichzelf toebedelen, of die nu legitiem is of niet. Zo meent de politie van Rio de Janeiro de vrijheid te hebben in de sloppenwijken van de Braziliaanse hoofdstad op te treden zoals zij dat goed dunkt. Niemand die hen controleert. Zo meten bewapende bendes in de hoofdstad van Haïti, Port-au-Prince, zich de vrijheid aan mensen te ontvoeren en de baas te spelen in grote delen van de stad. Niemand die zich durft te verzetten.

Het zijn maar een paar voorbeelden. En die stemmen niet blij. Moeten we de ‘vrijheid’ dan maar bij het grof vuil zetten? Nee, daar is ze te mooi en te waardevol voor. Om dat zo te houden, moeten we er ‘gelijkheid’ aan toevoegen. Want dat is wat ontbreekt in al die vrije zaken, zoals vrijhandel en vrije vestiging van bedrijven en het vrije optreden van politie en bendes. Vrijheid kan alleen maar bestaan tussen en onder gelijken. Als we vrijheid en gelijkheid kunnen koppelen, dan komt het met die blijheid vanzelf wel goed.


‘Ontvoeringen en drugshandel doen het goed ’    Roeland Muskens
René Préval nieuwe president van Haïti

René Préval, beschermeling van oud-president Aristide, won in februari de presidentsverkiezingen op Haïti. Aan hem is de zware taak om de stabiliteit op het eiland terug te krijgen. De economie ligt op haar gat, werkgelegenheid is er nauwelijks nog. En uit de chaotische tijden waarin Aristide werd verdreven stammen nog veel criminele bendes die het dagelijks leven onveilig maken. Zo heerst bendeleider Amaral Duclona over de sloppenwijk Cité Soleil. Zijn jongens drijven handel in drugs en ontvoerde mensen. Vooral dat laatste is erg lucratief.

Aristid ou lan mo – Aristide of de dood – staat met slordige spuitbusletters op een blinde muur in Cité Soleil, de beruchte krottenwijk aan de rand van de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Oud-president Jean-Bertrand Aristide mag dan gevlucht zijn naar Zuid-Afrika, hij is nog niet vergeten. Zeker niet hier bij de armen van Haïti. Titid, zoals de kleine ex-priester liefkozend wordt genoemd, is voor veel armen nog steeds de verlosser. Hoewel hij niet mee kon doen aan de presidentsverkiezingen van afgelopen februari, lag zijn naam op ieders lippen.
De verkiezingen werden gewonnen door zijn beschermeling René Préval. Die was al eerder president geweest van 1996 tot 2001. Hij wordt wel een ‘tussenpaus’ van Aristide’s Lavalas-partij genoemd. Maar in tegenstelling tot Aristide maakte hij zijn termijn vol. Aristide lukte dat niet. In februari 2004 kwam er een einde aan zijn tweede presidentschap. Gewapende bendes rukten op naar de hoofdstad. Het was een curieuze alliantie van ex-officieren van het vroegere leger van Haïti, leden van de drugsmaffia en mensen uit de Haïtiaanse bourgeoisie. Deze relatief kleine groep van rebellen zou weinig kans hebben gehad om de miljoenenstad in te nemen. Maar vooral de Amerikanen waren Aristide inmiddels meer dan zat. Talloze geruchten en zelfs publicaties doen de ronde over hoe de Amerikanen betrokken waren bij het vertrek van de democratisch gekozen president. Ongetwijfeld was dat niet helemaal vrijwillig en zijn er talloze internationale verdragen overtreden.

Desondanks zijn veel mensen het erover eens dat de positie van Aristide hopeloos was geworden. Hij had er een puinhoop van gemaakt. Zijn vlucht naar Zuid-Afrika, het land van politieke bondgenoot Mbeki, heeft veel bloedvergieten voorkomen.

Zonder twijfel was de ex-priester in het begin van zijn politieke carrière nog vol idealisme en van goede wil. Maar al tijdens het eerste presidentschap van René Préval, van 1996 tot 2001, had Titid zich ontpopt als een eersteklas intrigant, iemand die geen methode onbenut liet om zijn protégé voor de voeten te lopen zodra er iets was dat hem niet zinde. Aristide heeft zo bijgedragen aan de instabiliteit en de politieke patstelling die Haïti tijdens Préval I kenmerkte.

Schaduwen
Als verzachtende omstandigheid geldt vooral de rol van de internationale gemeenschap, de Verenigde Staten voorop. Het Westen, inclusief de Europese Unie, heeft Haïti tijdens het presidentschap van Aristide lelijk in de steek gelaten. Iedere steun aan het eiland werd geblokkeerd, onder het mom van verkiezingsfraude. De manier waarop enkele senatoren van Aristide’s Lavalas-partij in 2000 de verkiezingen wonnen verdient inderdaad geen schoonheidsprijs. Sindsdien kwamen leningen niet af, werden schenkingen stopgezet en werd bilaterale samenwerking in de ijskast gezet.

Volgens Leslie Voltaire, voormalig minister onder Aristide, is de internationale gemeenschap door haar onverzoenlijke houding medeschuldig aan de economische malaise van het land. Voltaire was ooit een uitgesproken fan van Aristide. Maar hij is realistisch genoeg om in te zien dat de ex-priester mislukt is als president. Toch denkt Voltaire dat de internationale gemeenschap zaken had kunnen en moeten doen met de man die door het overgrote deel van de Haïtiaanse bevolking werd gezien als ‘hun’ president. “Zelfs in het begin van zijn tweede termijn was Haïti nog te redden. Met leningen onder bepaalde voorwaarden zou Aristide een deel van zijn sociale beloftes hebben kunnen uitvoeren. Dat had rust gebracht in het land. Met die rust hadden investeerders de stap hebben durven zetten naar Haïti te komen”, zo analyseert Voltaire.

Uiteindelijk liep het heel anders. Met zijn rug tegen de muur restte Aristide weinig anders dan het bewapenen van zijn meest radicale achterban in de sloppenwijken. Onder de naam chimères (schaduwen) creëerden deze bendes een cultuur van angst, waarbij mensen het wel uit hun hoofd lieten om kritiek te uiten op Aristide. Inmiddels hebben de meeste chimères hun politieke motivatie verloren. Ze zijn verworden tot ordinaire criminele bendes die zich vooral richten op lucratieve handeltjes zoals drugshandel en ontvoeringen.

Four-wheel-drive
Het gevolg van deze noodsprong van Aristide zien we momenteel in de straten van Cité Soleil, de beruchte krottenwijk van Port-au-Prince. De jongens die hier rondlopen lijken gevlucht uit R&B-clips; Boys in da Hood, behangen met goud en een pistool in de broekband. Het zijn de luitenants van de bendes die in deze sloppenwijk de feitelijke macht uitoefenen. De politie durft zich hier niet te vertonen. Zelfs de zwaarbewapende blauwhelmen van de Verenigde Naties houden zich alleen aan de randen van de wijk op. Cité Soleil staat onder gezag van een contingent van zo’n duizend soldaten uit Jordanië. Ze vormen een onderdeel van Minustah, de VN-missie die 7.200 blauwhelmen in Haïti heeft gestationeerd.

In Cité Soleil heerst de bendeleider Amaral Duclona. Hij rijdt dagelijks in zijn luxe four-wheel-drive rond door de nauwe straten van de wijk. Alle andere voertuigen behoren aan Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis, de enige organisaties die durven te werken in deze krottenwijk. Duclona, een man van midden dertig, die lijkt op de Amerikaanse rapper Puff Daddy, woont zelf in Cité Soleil. Tussen de krotten van hardboard en golfplaat laat hij een stenen gebouw neerzetten. Het is een toonbeeld van zijn onaantastbare positie. Hoewel hij gezocht wordt wegens zijn betrokkenheid bij de moord op de Franse consul eind vorig jaar, doet de bendeleider geen enkele moeite zich te verbergen. Zo nu en dan laat hij zich zelfs interviewen door lokale journalisten. Eind januari organiseerde hij een heuse persconferentie in Cité Soleil. Daarbij spuwde hij vooral zijn gal over de soldaten van Minustah. Volgens hem zijn de VN-troepen verantwoordelijk voor een groot deel van de slachtoffers die dagelijks in de sloppenwijk vallen.

Helemaal ongelijk heeft Duclona hierin niet. Een razzia van de VN-troepen betekent meestal dat de Jordaniërs bij de ingangen van de sloppenwijk willekeurig in het rond schieten en zo hopen dat niemand tevoorschijn durft te komen. De ontelbare kogelgaten in muren en huizen bevestigen dit verhaal. En maar al te vaak worden onschuldige mensen het slachtoffer van de kogelregen. Dat gebeurde ook de 25-jarige Jean. Jean wandelde naar eigen zeggen vredelievend op straat met vrouw en dochter, toen hij verzeild raakte in een vuurgevecht tussen gewapende bendes en de VN-vredestroepen. Hij werd in zijn bovenbeen getroffen door een kogel. Hij is nu terug bij Artsen zonder Grenzen om zijn wond te laten zien. Als een verpleegster het verband er afhaalt komen twee grauwe gaten tevoorschijn. Een klein gat waar de kogel binnenging en een iets groter gat waar het projectiel zijn been weer verliet. “Minustah”, antwoordt Jean zonder aarzeling op de vraag wie hem neergeschoten heeft.

Franse non
De politieke instabiliteit, het geweld, de corruptie en de falende staat hebben de Haïtiaanse economie op de knieën gebracht. Werkgelegenheid is er nauwelijks nog. Niemand haalt het in zijn hoofd om te investeren. De enige branches die het goed doen zijn de drugshandel en de kidnapindustrie. Vooral deze laatste sector is op dit moment de meest lucratieve activiteit van de chimères.

Het begon eind 2004 met de ontvoering van enkele hoteleigenaren in het land. Dat bracht losgelden op van twintigduizend dollar en meer. Sindsdien is het hek van de dam. Haïti is inmiddels Colombia voorbij gestreefd als land met het grootste aantal ontvoeringen per dag. Rijke Haïtianen en buitenlanders durven ’s avonds nauwelijks meer hun huizen te verlaten. De expat-gemeenschap in Port-au-Prince, wonend in plaatsen als Petionville in de heuvels rond de hoofdstad, heeft de hele benedenstad na zonsondergang verklaard tot no go area.

Er is een hele handel ontstaan in gegijzelden. Jongens gaan met de auto de stad in, pakken mensen op en leveren die af bij de gangs. De kidnappers worden uitbetaald en gaan op zoek naar nieuwe slachtoffers. De nieuwe ‘eigenaar’ van de gekidnapte begint vervolgens de onderhandelingen met de familie.

Recent kreeg de ontvoering van een 85-jarige Franse non veel aandacht. Zuster Agnès Thibauld werd gedwongen achterop een motor plaats te nemen. “De eerste keer in mijn leven”, zei ze na afloop tijdens een persconferentie. Ze werd afgeleverd in Cité Soleil waar ze twee dagen vastzat. Het is opmerkelijk dat de ontvoeringsbusiness de laatste maanden vergaand is ‘gedemocratiseerd’. Het zijn allang niet meer alleen de rijken die moeten oppassen. Ook gewone middenstanders kunnen ineens een auto ingetrokken worden. Soms gaat het daarbij om losgeld van niet meer dan vijftig dollar.

Lommerrijke heuvels
De algehele malaise van Haïti bracht de Haïtiaanse industrieel Charles Henry Baker ertoe om zich kandidaat te stellen voor het presidentsschap. Naast de arme Haïtianen zijn het vooral mensen als Baker die getroffen worden door de instabiliteit. Niet lang geleden bloeide de assemblage-industie in het land. Veel internationale bedrijven lieten hun spullen maken in Haïti, vooral textiel en elektronica. Dit betekende een weliswaar mager maar vast inkomen voor vele duizenden Haïtianen. Maar de meeste opdrachtgevers plaatsen hun opdrachten nu veel liever in andere landen in de Caribische regio, zoals de Dominicaanse Republiek en Honduras. De fabriek van Baker biedt normaal werk aan zo’n negenhonderd mensen, maar wegens gebrek aan opdrachten werken er nu maar driehonderd man.

Uiteindelijk kwam Baker nog opmerkelijk ver in de verkiezingsstrijd. Van de ruim dertig kandidaten haalde hij de derde positie, met zo’n 10 procent van de stemmen. Dat was ver achter winnaar Préval, maar net achter de nummer twee, ex-president Leslie Manigat.
Het relatieve succes van Baker in de verkiezingen is opmerkelijk. Ten eerste omdat het uitgesloten is dat een blanke president wordt van het land waar de zwarte bevolking er als eerste (in 1804) in slaagde zich te ontdoen van de blanke koloniale overheersers. Daarnaast is Baker representant van de bourgeoisie in Haïti, die de laatste decennia een allesbehalve positieve rol heeft gespeeld. Wonend in de lommerrijke heuvels van Petionville heeft de elite van mulatten altijd neergekeken op de zwarte meerderheid. Aristide werd tijdens feestjes van de elite steevast “die kleine zwarte aap” genoemd. Het is de tegenstelling tussen de gran mangeurs (grote eters) en de malère (sloebers).

Voor Baker is de winst van Préval niets minder dan een ramp. “Als Préval wint, zal ik achteroverleunen en zien hoe het land helemaal naar de verdoemenis gaat”, zei hij vóór de verkiezingen. De vraag is of anderen binnen de bourgeoisie zich zullen beperken tot achteroverleunen. De mannen die Aristide in februari 2004 met wapens hebben proberen te verdrijven, lopen nog steeds vrij rond. Ex-putchist en ex-politiecommissaris Guy Philippe bijvoorbeeld deed zelfs mee aan de presidentsverkiezing. Hij en de notoire gangster Thomas ‘Labaniye’ Robinson beschikken nog over massa’s wapens. Ze zijn ongetwijfeld bereid een legertje om zich heen te verzamelen, mocht de bourgeoisie ze daartoe oproepen.

Dat is de voortdurende dreiging waar president Préval na zijn installatie op 19 maart mee te maken zal krijgen. Treedt hij niet op tegen de bendes in Cité Soleil die het land zo’n slechte reputatie bezorgen, dan krijgt hij te maken met de bourgeoisie. Slaagt hij er niet in snel een oplossing te vinden voor de wanhoop en de ellende in de krottenwijken, dan zullen de bendes de kans grijpen hun machtsbasis te versterken. Een vreselijke baan, president zijn van Haïti.

En dan is er nog Aristide. Zal Préval de ex-priester toestaan terug te keren uit ballingschap? Je zou zeggen van wel: de twee zijn immers oud-strijdmakkers. Maar misschien doet Préval er goed aan nog even na te denken voor hij zijn leermeester toestaat te landen op vliegveld Toussaint L’Ouverture. Het laatste dat Préval wil is een herhaling van zijn eerste termijn, toen zijn politieke vriend er alles aan deed om hem het regeren onmogelijk te maken. Als Préval verstandig is wenst hij Titid nog een lange vakantie toe.

Verkiezingen Haïti
René Préval van de Lavalas-partij (de partij van oud-president Aristide) won afgelopen februari de presidentsverkiezingen op Haïti. Hij kreeg 51,5 procent van de kiezers achter zich. De bekendmaking van de uitslag was het gevolg van een deal tussen onder andere de regering, de kiescommissie en buitenlandse waarnemers. Eerder had de uitslag voor nogal wat onrust op het eiland gezorgd. Tweede in de strijd werd ex-president Leslie Manigat, een hoogleraar in de rechten, met zo’n 11 procent van de stemmen. Derde werd de rijke blanke ondernemer Charles Henry Baker met 10 procent. Eind maart mag René Préval de presidentsjerp omhangen. Tot die tijd wordt Haïti bestuurd door een interim-regering onder leiding van zakenman Gerard Latortue.


Een goudmijntje voor een vuil bedrijf   Sander Otten
Opstand in Guatemala tegen exploitatie goudmijn

De exploitatie van de Marlin-mijn, een zeer controversieel mijnbouwproject in het zuidwesten van Guatemala, is eind vorig jaar van start gegaan. De komst van de grote Amerikaanse goud- en zilverproducent Glamis Gold in dit afgelegen en weinig ontwikkelde gebied heeft geleid tot een storm van protest. Aanleiding daarvoor zijn de vermeende schadelijke gevolgen voor het milieu en het gebrek aan respect voor de gebruiken van de lokale Mayabevolking. Pikant detail is de onvoorwaardelijke steun van de Wereldbank aan het project.

Het departement van San Marcos, in het zuidwesten van Guatemala, is een van de armste gebieden van het land. Traditionele landbouw is voor de overwegend inheemse bevolking nog altijd de voornaamste bron van inkomsten. Het gebied kwam vorig jaar ineens in het nieuws, toen bekend werd dat de grote Canadees-Amerikaanse goud- en zilverproducent Glamis Gold het had uitgekozen als locatie voor een miljoeneninvestering. Met steun van de Wereldbank bouwde het bedrijf er een grote mijngroeve, de Marlin-mijn. Daarmee hoopt het de komende twaalf jaar zo’n 1 miljard dollar winst te maken.


Machtswisseling op de Dominicaanse Republiek   Sjors van Acht

De Vlaamse antropologe Judith Jansen is de winnares van de NALACS-scriptieprijs 2004-2005. Ze deed onderzoek in een dorp in de Dominicaanse Republiek naar transnationale huwelijken en huishoudens. In haar scriptie laat Jansen het effect van migratie op de achterblijvers zien. De geef- en ruilrelaties binnen en tussen verschillende huishoudens staan centraal. Mannen en vrouwen hebben elkaar beide wat te bieden. “Het is gewoon machtsuitwisseling.”

“Deze mooi verzorgde scriptie laat zien op welke wijze theorie en veldwerk verweven kunnen worden tot een goed leesbaar verhaal.” Zo oordeelt NALACS (Nederlandse Associatie van Latijns-Amerikaanse en Caribische Studies) over het werk van antropologe Judith Jansen (25). Hay que dar, men moet geven, is de titel die ze eraan gaf. Dit is een citaat van een geïnterviewde vrouw wier man in de Verenigde Staten woont. Het geeft krachtig de kern weer van haar onderzoek: geef- en ruilrelaties in transnationale huwelijken en huishoudens. Veel Dominicanen zijn (deels) financieel afhankelijk van dat ‘geven’ vanuit de VS. De omvang en complexiteit van de relaties en de huishoudens zijn beduidend groter dan bij ons. Zo kunnen sommige personen – bijvoorbeeld peetkinderen – onder verschillende huishoudens vallen. Ook zijn er vrouwen die van meerdere mannen financiële steun krijgen, bijvoorbeeld een welvarende broer, of eventuele anders vaders van hun kinderen.


'Dollarisering toont wanbeleid Ecuadoraanse regering'  René Hakvoort en Maricella Hidalgo Alcuna
Econoom hekelt neoliberaal beleid

De Ecuadoraanse ontwikkelingseconoom Alberto Acosta is toonaangevend in het politieke debat in zijn land. Hij is een verklaard tegenstander van de dollarisering, die de weg vrij moest maken voor het neoliberale regeringsbeleid van privatisering en vrijhandel. Een desastreus beleid, meent de econoom, dat bolstaat van wanbeheer.

Een vrijhandelsverdrag voor het hele Noord-en Zuid-Amerikaanse continent zit er voorlopig niet meer in. Overal in Latijns-Amerika zijn de plannen voor deze FTAA (of ALCA) gestuit op hevige protesten van de bevolking. Dit wil niet zeggen dat de Verenigde Staten hun droom van een neoliberale wereld, die gekenmerkt wordt door privatisering en flexibilisering van de arbeids-en kapitaalmarkt nu opgeven. Verre van dat. Met diverse landen hebben de VS al bilaterale vrijhandelsakkoorden afgesloten en in Midden-Amerika is het regionale verdrag DR-CAFTA een feit.
Ecuador is op het moment bezig met onderhandelingen over een vrijhandelsverdrag met de VS. Al in 2000 is met de invoering van de dollar als betaalmiddel de weg hiervoor vrijgemaakt. Volgens de econoom Alberto Acosta was deze dollarisering bedoeld om de inflatie te beteugelen en om het land klaar te stomen voor deelname aan de vrijhandelszone. Profijt heeft het land er niet van gehad, zo betoogt Acosta keer op keer in artikelen en columns in de krant El Comercio. Hij speelt een leidende rol in het politieke debat in Ecuador en adviseert diverse inheemse en sociale bewegingen.


Ecuador zit klem  Sjors van Acht
Voorzitter van FENOCIN over het vrijhandelsverdrag

De Verenigde Staten zijn druk bezig met het sluiten van vrijhandelsverdragen in Latijns-Amerika. Bijna twee jaar geleden startten de onderhandelingen met drie Andeslanden: Colombia, Peru en Ecuador. Met Peru en Colombia is recentelijk een akkoord bereikt. De gemoederen in Ecuador lopen intussen hoog op. Demonstraties en stakingen zijn aan de orde van de dag. Toch is de kans groot dat er binnenkort overeenstemming wordt bereikt met de VS. Voor Pedro de la Cruz, voorzitter van FENOCIN, is er echter nog hoop: “Als er sterke druk komt vanuit de bevolking dan zijn we ervan overtuigd dat het vrijhandelsverdrag niet wordt geratificeerd.”

Ecuador is aan zet en de druk is flink opgevoerd. De Verenigde Staten hebben onlangs met Peru (in december vorig jaar) en Colombia (in februari) een akkoord gesloten over een vrijhandelsverdrag. Een spoedige ratificatie zal moeilijk worden door de aanstaande verkiezingen in beide landen. In het kleine Andesland Ecuador zijn de onderhandelingen nog in volle gang. Hoewel de meerderheid van de bevolking tegen het verdrag is, trekt de regering van president Alfredo Palacio zich daar weinig van aan. Dertien maart is namelijk de ‘laatste’ onderhandelingsronde met de VS gestart. Op 31 maart zou het akkoord definitief rond moeten zijn maar er wordt getwijfeld aan de haalbaarheid van die datum.
Een van de sociale bewegingen die zich inzetten om het vrijhandelsverdrag tegen te gaan is FENOCIN. De voorzitter van deze confederatie, Pedro de la Cruz, was onlangs in Nederland op uitnodiging van de ontwikkelingsorganisatie ICCO en het Institute for Social Studies (ISS). Hij nam deel aan een conferentie over landbeheer en armoede. Ondanks de druk die op Ecuador wordt uitgeoefend gelooft De la Cruz in de kracht van het volk: “Als het volk het verdrag wil, dan zullen wij dat accepteren. Maar uit een enquête blijkt dat 70 procent van de bevolking tegen het vrijhandelsverdrag is.”


Rio de Janeiro is niet in oorlog  Marianne Brittijn
Mensenrechtenactivist over politiegeweld

In Brazilië sterven jaarlijks gemiddeld ruim 32 duizend mensen op gewelddadige wijze, onder andere door toedoen van de politie. In Rio de Janeiro ligt het aantal op drieduizend per jaar, waarvan duizend door politiehand. Deze moordcijfers behoren tot een van de hoogste ter wereld, hoger dan die van sommige Afrikaanse landen in burgeroorlog. Toch heeft 64 procent van de Brazilianen in oktober vorig jaar nee gestemd tijdens het nationale referendum over het verbod op wapenhandel. Hoe valt dit te verklaren? Een gesprek met mensenrechtenactivist Marcelo Freixo over ontwapening, politiegeweld en mobilisatie van sloppenwijkbewoners. “De openbare veiligheid en de mensenrechten zijn simpelweg geen prioriteit voor deze regering.”

“Wallace, mijn broertje van dertien, was op 6 januari 2004 met vijf vrienden domino aan het spelen in de sloppenwijk Cajú in Rio de Janeiro. Vlak voordat ze naar huis wilden gaan, werden ze verrast door een inval van de militaire politie. De politie, op zoek naar drugsbendeleden, gaf hen niet eens de tijd zich te identificeren. Vijf van hen werden zonder pardon neergeschoten. Eén van de jongens wist te ontsnappen. Mijn broertje was de eerste die door een kogel werd geraakt.” Elisabete Maria de Souza van de mensenrechtenorganisatie Mães do Cajú uit Rio de Janeiro laat een portretfoto zien van Wallace. Hij heeft een brede glimlach en vrolijke ogen. Dan toont ze een minder vrolijke afbeelding: haar broertje zoals ze hem terugvond. Verminkt. En het ballistische rapport, waarop te zien is dat Wallace door drie kogels werd geraakt, één in zijn heup, één in zijn onderrug en één in zijn voorhoofd. Een duidelijk voorbeeld van standrechtelijke executie.


De keuze van LA Chispa  Anke welten

Latijns-Amerika was opnieuw ruim vertegenwoordigd op het International Filmfestival Rotterdam, dat plaatsvond van 25 januari tot 4 februari. LA Chispa selecteerde twee juweeltjes

Habana Blues - Het andere cubaanse muziekverhaal
Gillende gitaren, lange haren, ‘fuck-the-system-achtige’-teksten en gevaarlijke ontsnappingspogingen. Maar ook zon, seks, liefdesdrama en relativerende humor. Muziekfilm Habana Blues van de in Cuba opgeleide Spaanse regisseur Benito Zambrano maakt gebruik van de ‘lekkere’ stereotypen van het Cubaanse (muzikale) leven, om ook een andere, soms minder aangename werkelijkheid in beeld te brengen.

Cinema, aspirins and vultures - Avontuur en beschaving in Brazilië tijdens Tweede Wereldoorlog
‘Zelfs oorlog komt hier niet.’ Voor Duitser Johan Hohenfeld, de hoofdrolspeler in de Braziliaanse film Cinema, aspirins and vultures, is dat precies de reden waarom hij koos voor een leven als handelsreiziger in Brazilië. Ranulpho, die Johan als lifter heeft opgepikt in het noordoosten van het land en die later Johans assistent wordt, bedoelt zijn opmerking echter negatief. Deze wel heel bijzondere roadmovie, waarvan het verhaal zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog, laat zien hoe twee mannen uit verschillende delen van de wereld aan hun geboortegrond willen ontsnappen.


De witte olifant   Maja Haanskorf
Een documentaire van Alexandra Indaco

Wat bedoeld was als een jaar studeren in Buenos Aires in het kader van een uitwisselingsprogramma, mondde uit in een driejarig verblijf in de Argentijnse hoofdstad. Alexandra Indaco was in de ban geraakt van de Witte Olifant. Een bijna surrealistisch gebouw in een van de sloppenwijken van de stad, waar ze terecht kwam als vrijwilligster in een gaarkeuken. Al na een maand wist ze: ‘Hier wil ik een film over maken. Over het dagelijks leven van de vrouwen die hier wonen en werken.’

“Het ging erg snel”, lacht Alexandra Indaco (29) in haar net betrokken Amsterdamse bovenwoning. “Op een woensdag kwam ik aan in Buenos Aires, de dag erna schreef ik me in aan de universiteit als student politieke wetenschap en op zaterdag stond ik in een sloppenwijk. De universiteit was sterk gepolitiseerd, er waren allerlei werkgroepen en sociale bewegingen actief. Zo besloot ik mee te gaan naar Ciudad Oculta, waar ik in contact kwam met vrouwen die een gaarkeuken runden. In een gebouw dat de Witte Olifant heette. Dat fascineerde me meteen, dat monsterlijke gebouw dat sinds de start in 1935 het modernste ziekenhuis van Latijns-Amerika had moeten worden. Dat is er nooit gekomen en al sinds de jaren vijftig zijn er mensen ingetrokken, vooral werklozen uit de provincies die werk zochten in de stad. Nu wonen er rond de 150 mensen, die allemaal ervan dromen ooit uit de sloppenwijk te raken en intussen weten te overleven. Ook na de zware economische crisis van 2001. Die vechtersmentaliteit, van vooral de vrouwen, raakte me. Dat wil ik met mijn film, die ik de Witte Olifant heb genoemd, laten zien. Hoe een economisch beleid doorwerkt in het leven van deze mensen aan de onderkant van de maatschappij. Niet een folkloristisch verhaaltje over zielige, arme mensen, maar over het gewone dagelijkse leven. Ze zitten heus niet de hele dag te huilen, ze maken ook pret en hebben feestjes.”


De 'chispa' van Inge Ribbert  
Abonnee in de schijnwerper

Ook nieuwsgierig wie dat zijn, de lezers van LA Chispa? Op zijn minst zullen ze een binding hebben met Latijns-Amerika. Maar hoe ziet die eruit? Wanneer is de liefde voor het continent ontstaan? In deze rubriek komt steeds een abonnee van LA Chispa aan het woord. Dit keer is de beurt aan Inge Ribbert (39) uit Utrecht.

“In Colombia, als vrijwilligster bij Peace Brigades International, viel alles op zijn plek”, vertelt Inge Ribbert. “Tijdens mijn studie antropologie, in 1992, was ik al eens in Latijns-Amerika geweest. In Bolivia, in de stad El Alto deed ik onderzoek naar de financieel-economische situatie van Aymara-vrouwen. Maar in Colombia voelde ik mij echt op mijn plaats. Ik ben er trots op dat ik een jaar lang in twee vredesgemeenschappen in Urubá echt iets kon betekenen voor de mensen. Dat trok me ook meteen aan, toen ik destijds, eind 2001, de advertentie van PBI zag. Dat je mensenrechtenactivisten die worden bedreigd kunt bijstaan om hun werk te doen. Niet door je te bemoeien met hun bezigheden, maar alleen door er te zijn en hen te begeleiden.” Uren kan ze over dat jaar vertellen. Over de moed van de mensen om ondanks armoede en regelmatige aanvallen door vooral de paramilitairen toch door te gaan. Over hun positieve instelling, hun gave overal een feestje van te maken. “Pas na een tijd dring je dieper door in het leven van de mensen. Kijk je achter de vrolijke buitenkant. Er zijn ook mensen omgekomen, vermoord, in de tijd dat ik er was. Je bent daar zo druk bezig met het werk, dat je nauwelijks stilstaat bij wat er gebeurt. Dat kwam vooral daarna, toen ik weer in Nederland was. Al die ervaringen moest ik nog verwerken.”


Mayabotten en GPS-systemen  Jantien Bult
Standplaats - Honduras

In deze nieuwe rubriek vertellen mensen over hun tijdelijke standplaats. Meestal zijn ze uitgezonden door een westerse ontwikkelingsorganisatie. Over de personen die ze ontmoeten, met wie ze werken of uitgaan, over de plaatsen die ze ontdekken en de voorvallen die plaatsvinden, gaan hun verhalen. Deze keer is de standplaats: Honduras

En toen stond hij opeens met een zakje tanden in zijn hand. Midden in de bergen tussen ananasplanten en een visvijver. “Het zijn de tanden van een stuk of zes mensen”, zegt de boer Jesús, “ik heb ze een paar maanden geleden opgegraven”. Jesús woont in El Naranjito, in het bergachtige westen van Honduras. Hij maakt deel uit van een boerenassociatie die met steun van OCDIH, een ontwikkelingsorganisatie, experimenteert met alternatieve manieren om grond te bewerken. Regelmatig doen de boeren verslag van de voortgang van hun werk. Vandaag geven Jesús, Lorenzo en Suyapa een presentatie. In de piepkleine, knalroze kamer vertellen ze over de visvijvers, die ze hebben aangelegd. “We hebben nu al een aantal vijvers en de tilapia doet het prima, zodat we nu ook vis eten en verkopen”, vertelt Suyapa. Zo meteen zullen ze ons meenemen, het land op. Dan kunnen we zelf zien hoe het project vordert.