Latijns-Amerika in Beweging

Economie

vrijdag, 22 juni 2012 18:07

Goud en kolen zijn niet duurzaam

Kanttekeningen uit Latijns-Amerika bij duurzame mijnbouw

Duurzame mijnbouw in Latijns-Amerika? Volgens verschillende experts uit het veld is dit  'een contradictio in terminis'.

Op de jaarlijkse ELE-bijeenkomst in Den Haag, waar voornamelijk Europese en Latijns-Amerikaanse politici en ondernemers van gedachten wisselen, werd duurzame mijnbouw gepresenteerd als het nieuwe toverwoord. Maar hoe realistisch is het om te spreken over duurzame mijnbouw in Latijns-Amerika? Op papier kan de multinationale mijnbouwsector wel van alles beloven, maar wat komt hier in de praktijk van terecht? Een aantal Latijns-Amerikaanse critici reageerden sceptisch op de uitspraken uit Den Haag.

Allereerst roept de term duurzame mijnbouw nogal wat vraagtekens op. De sprekers op de ELE-bijeenkomst haalden voorbeelden aan van de winning van goud en kolen in Colombia. Gert Steenssens, werkzaam bij CENSAT in Colombia, stelt dat dit per definitie geen duurzame sectoren zijn: “Als iemand op dat forum een uitspraak doet als 'de wereldeconomie groeit en heeft meer kolen nodig' moet je daar wel de kanttekening bij maken dat je dan duurzaamheid het raam uit smijt want zelfs onafhankelijk van de milieuschade bij de ontginning ervan, komt er bij de verbranding extra CO2 vrij die ons (of beter: onze nakomelingen) binnen 50 jaar duur komt te staan.”

Goudwinning
Momenteel is het vooral de goudwinning die snel toeneemt in Latijns-Amerika. Het zijn voornamelijk de banken die verantwoordelijk zijn voor deze wereldwijde vraag. Moritz Tenthoff, correspondent voor Noticias in Colombia, legt uit: “Goud is dus vooral de drijfveer en dat is een mineraal dat de reserves van de banken te midden van de financiele crisis moet dekken. Goud wordt hier uit de grond gehaald (met alle gevolgen van dien) en vervolgens naar een kluis in Europa getransporteerd. Goud is geen duurzame grondstof, wat je eruit haalt komt niet meer terug.”              

In heel Latijns-Amerika heeft deze nieuwe 'goudkoorts' niet alleen geleid tot een massale trek van individuele goudzoekers naar de  informele mijnbouw,  maar ook tot een ongekende toename van vergunningen aan multinationale bedrijven voor grootschalige mijnbouw. Zo is de Colombiaanse regering van plan de mijnbouwindustrie de komende vijf jaar te verdubbelen en daarna in tien jaar te verviervoudigen.

Kleinschalige vs. grootschalige mijnbouw
Een probleem dat vaak genoemd werd tijdens de ELE-bijeenkomst is de informele, kleinschalige  mijnbouw. Volgens de sprekers is deze sector per definitie slechter voor het milieu omdat zij niet over de juiste capaciteiten en technologieën beschikt, terwijl de grote bedrijven wél de middelen zouden hebben om aan milieunormen te voldoen.

Hoewel hij erkent dat informele mijnbouw vaak tot milieuproblemen leidt, moet volgens Tenthoff dit beeld wel genuanceerd worden: “Kleine mijnbouw is vaak zeker schadelijk, maar dat betekent niet dat je die hoeft te verbieden, wel dat je kan verbeteren, technische ondersteuning kan geven, gedeeltelijk kan reguleren. Mijnbouw door inheemse  gemeenschappen die dat al tientallen jaren op traditionale wijze doen is zeker  niet altijd schadelijk.” Deze stelling wordt onderschreven door FAIRTRADE international. Deze wereldwijde organisatie voor eerlijke handel koos ervoor om samen te werken met de  kleinschalige traditionele goudwinners in Bolivia, Peru en Colombia  voor hun nieuwe label ´Oro verde` (groen goud). Het doel van dit label is zowel de dramatische sociale omstandigheden als de milieuschade van de mijbouw te beperken door kleine mijnbouworganisaties te ondersteunen.

Latijns-Amerikaanse regeringen beschouwen deze kleinschalige organisaties echter als een probleem. Volgens hen kunnen deze kleine ‘illegale’ mijnbouwbedrijven niet bijdragen aan ´verantwoordelijke mijnbouw´. Steenssen zegt: “ Het feit dat ze 'illegale mijnbouw' als het grootste probleem aanstippen, heeft zo z'n reden natuurlijk. De Colombiaanse regering wil buitenlandse investeringen in grootschalige mijnbouw bevorderen, en stigmatiseert (criminaliseert zelfs) informele mijnwerkers die, zoals sommige inheemse bevolkinggroepen reeds meer dan 500 jaar op kleine schaal aan mijnbouw doen.”

Multinationals
In Colombia is een conflict gaande over de rechten van deze inheemse gemeenschappen versus de vergunningen die de regering aan multinationale bedrijven afgeeft. Een voorbeeld is de gemeenschap La Toma, in het departament Cauca, waar 1100 Afro-Colombiaanse families al sinds de 17e eeuw leven van de ambachtelijke goudwinning. De hoeveelheden goud die ze winnen zijn klein in vergelijking met wat een groot bedrijf met haar machines en chemicalieën kan winnen. De multinational Anglo Gold Ashanti heeft haar ogen op het gebied laten vallen en heeft de steun van de regering om in dit gebied een grootschalige goudwinning op te zetten. De gemeenschap La Toma baseert haar verzet onder andere op het internationaal vastgelegde recht van inheemse volkeren om geraadpleegd te worden over extractieve projecten in hun leefgebied. Een recht dat  in de mijnbouwsector in Latijns-Amerika maar zelden gerespecteerd wordt.

Pablo Villegas van het onderzoekscentrum CEDIB uit Bolivia, meent:  'De stelling dat de ene sector slechter is dan de andere is een valse stelling. Ten eerste omdat geen enkel land in Latijns-Amerika nu de capaciteiten heeft om een  juridisch valide, onpartijdig en wetenschappelijk onderzoek te doen naar de graad van de negatieve impacten van de ene noch de andere sector. Deze capaciteit wordt tegengehouden, met name door de invloed van de multinationale mijnbouw, maar in zekere gevallen ook door de invloed van de kleinschalige mijnbouwsector.'

Hij voegt hier aan toe dat de huidige informele mijnbouwsector ontstaan is als gevolg van het neoliberale model in Latijns-Amerika, waardoor staatsbedrijven gesloten werden en duizenden mensen, ook mijnwerkers, hun baan kwijtraakten.  Deze sector funcioneert bovendien meestal in dienst van de multinationale bedrijven die de grondstoffen van hen kopen, en is daarom dus uiteindelijk onderdeel van hetzelfde systeem. Bolivia is daar een goed voorbeeld van.

Het argument dat de grootschalige mijnbouw investeert in duurzaamheid wordt ook in twijfel getrokken. Er zijn immers veel voorbeelden in Latijns-Amerika waar grote mijnbouwbedrijven zowel de rechten van de lokale bevolking als milieunormen aan haar laars lapte, met enorme ecologische en sociale gevolgen. Zo is het bedrijf el Cerrejón (vertegenwoordigd tijdens de ELE-bijeenkomst) in La Guajira (Colombia) al jaren in conflict met de inheemse bevolkingsgroep de Wayuu wegens de aantasting van hun leefgebied en hun landbouw door een grootschalige kolenmijn. Ook in Peru zijn momenteel verschillende conflicten gaande over de ecologische gevolgen van de grootschalige mijnbouw, waarvan het project Yanacocha in Cajamarca één van de bekendste is. Villegas verklaart deze conflicten door het feit dat al sinds de jaren ’90  Latijns-Amerikaanse regeringen hun eigen milieuwetgevingen versoepelen onder druk van de transnationale mijnbouwsector, met name uit de Verenigde Staten en Canada. 'Dit was geen toeval want deze Amerikaanse bedrijven hadden problemen in hun eigen land, aan de ene kant vanuit de hoek van de milieuactivisten (...)  en aan de andere kant omdat ze daar met hele strenge regelgeving te maken hadden.'

Greenwashing
De conflicten die veroorzaakt worden door de mijnbouw in Latijns-Amerika gaan vaak gepaard met gewelddadige repressie door de regeringen en criminalisering van sociale bewegingen. In het artikel Mijnbouw verdeelt Peru wordt beschreven hoe dit op dit moment gebeurt in Peru.

Gert Steenssen benadrukt dat mijnbouw in Colombia in het algemeen een gevaarlijke activiteit is. 'De realiteit is dat het nog steeds een zeer complexe context blijft waarin grootschalig projecten sowieso (extra) problemen en conflicten genereren, en daar mag je niet te vlot overgaan als je over mijnbouw in Colombia spreekt (...)  Zo zijn er speciale legereenheden (zogenaamde batallones minero-energeticos) die juist die regio’s moeten 'beschermen' waar mijn- of petroleumontginning gedaan wordt. Dat brengt grote problemen met zich mee voor lokale bevolkingsgroepen, aangezien een legerkamp in hun buurt hen plots tussen de strijdende partijen brengt, en hun dorpsplein nu een militair doelwit is geworden. Om niet te spreken over problemen met prostitutie en het gevaar dat jonge meisjes lopen om verkracht te worden.'        

Opvallend is dat juist de bedrijven die betrokken zijn bij dit soort conflicten veel geld en energie steken in campagnes rondom hun ´corporate responsability´ of Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Zo won Anglo Gold Ashanti in 2010 ´the corporate responsibility award´ van de Britse en Colombiaanse kamer van koophandel wegens de sociale projecten waarin het bedrijf investeert in de gebieden waar ze werken.  Deze sociale projecten zijn bijvoorbeeld het sponsoren van het lokale carnaval en het lokale voetbalteam.  

Bedrijfsstrategie
Het Latijns-Amerikaanse Observatorium van Mijnbouw Conclicten (OCMAL) bekritiseert dit idee van bedrijfsverantwoordelijkheid, juist omdat de interpretatie ervan erg vrijblijvend is en de toepassing vrijwillig. Er is geen sprake van een verplichting die door de wet wordt opgelegd en gecontroleerd. Sterker nog, bedrijven grijpen deze door hen zelf opgestelde verklaringen graag aan, om nationale wetgevingen te omzeilen en te vervangen.

Deze strategieën hebben volgens OCMAL als belangijkste doel het winnen van zowel de internationale als de lokale publieke opinie in het voordeel van de bedrijfssector. Een veel gebruikte strategie door deze bedrijven is het opzetten van lokale fondsen die ´de ontwikkeling bevorderen´ aan de hand van kleine sociale projecten maar in werkelijkheid funcioneren als PR-orgaan voor het bedrijf. Vaak worden deze fondsen gebruikt om kritische lokale leiders van mening te doen veranderen. In plaats van verantwoordelijkheid te nemen voor de lange termijn gevolgen van hun aanwezigheid, gaan zij deze juist uit de weg door de arme bevolking op korte termijn tevreden te houden. Om deze redenen won Anglo Gold Ashanti dit jaar tevens de Greenpeace Public Eye Award  voor ´het meest onverantwoordelijke bedrijf in de wereld´.

Zowel OCMAL als Cedib wijzen erop dat een effectief mechanisme van controle en sancties vanuit de nationale overheden, zowel in het thuisland als het land waar het bedrijf opereert, de enige manier is om bedrijven echt verantwoordelijk te maken voor hun handelen. Vrijblijvende boodschappen over duurzame of verantwoorde mijnbouw en sociale projectjes hier en daar dragen niet bij aan deze effectieve controle, maar leiden juist af van de werkelijke problemen die nog steeds op grote schaal veroorzaakt worden door de mijnbouw in Latijns-Amerika.

Reageer