info noticiashome
De inheemse beweging in Latijns-Amerika (1):
De lange weg naar erkenning door Willem Assies
<- terug

Het aantal afstammelingen van inheemse volkeren in Latijns-Amerika bedraagt tussen de 35 en 40 miljoen mensen, oftewel acht tot tien procent van de totale bevolking. In landen als Bolivia en Guatemala is de inheemse bevolking zelfs in de meerderheid. Vanaf de jaren zeventig ontwikkelde zich in Latijns-Amerika een inheemse beweging die vecht voor erkenning.

Er is geen sprake van een homogene, Latijns-Amerikaanse, inheemse beweging. Daarvoor is de culturele en etnische diversiteit van de inheemse volkeren in Latijns-Amerika te groot. In landen als Bolivia en Guatemala is de inheemse bevolking in de meerderheid. Terwijl in Peru en Ecuador een kwart tot veertig procent van de bevolking van inheemse komaf is, gaat het in Colombia, Brazilië en Venezuela om niet meer dan een paar procent van de bevolking. Desondanks is de inheemse beweging in Latijns-Amerika sinds de jaren zeventig uitgegroeid tot een belangrijke sociale en politieke factor.

Gelijke rechten
Tot de eerste nieuwe indiaanse bewegingen behoorden in de jaren zeventig de Shuar Federatie in Ecuador, het Consejo Regional Indígena del Cauca uit Colombia, en de Katarista-beweging in Bolivia. Zij hadden gemeen dat zij erkenning wilden van de indiaanse identiteit. Bijvoorbeeld, de Kataristen, genoemd naar de leiders van een revolte in de achttiende eeuw, benadrukten dat de Aymaras en Quechuas in Bolivia niet alleen een uitgebuite klasse waren, maar ook een onderdrukte natie. Deze bewegingen gebruikten de term indio, die lange tijd gold als een racistische benaming, als een soort geuzennaam. Zij vochten tegen het beleid van assimilatie, dat veel regeringen in Latijns-Amerika voerden ten opzichte van het indiaanse deel van de bevolking, en voor de gelijke rechten.
In de loop van de jaren tachtig ontstonden in heel Latijns-Amerika nieuwe bewegingen. In de hooglandgebieden waren dit vaak afsplitsingen van links georiënteerde boerenbonden, zoals in het geval van Colombia, of werd de boerenbond ‘geheroriënteerd’, zoals in Bolivia gebeurde. In het Amazonelaagland bestond geen traditie van boerenorganisaties. Daar kwamen inheemse organisaties tot stand door toedoen van non-gouvernementele organisaties, antropologen of door de bevrijdingstheologie. Daarnaast had de opkomst van een wereldwijde beweging van inheemse volken, in eerste instantie bestaande uit bewegingen uit Scandinavië, Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland, een belangrijke invloed. In veel gevallen ontstonden eerst banden tussen lokale en wereldwijde organisaties en pas daarna volgden pogingen om nationale of regionale organisaties te vormen. Andere gebeurtenissen van groot belang voor de emancipatie van de inheemse beweging in de jaren tachtig, waren de vorming van de Werkgroep Inheemse Volken in het kader van de Verenigde Naties, de oprichting van het Russell Tribunaal in Amsterdam en de voorbereidingen voor de herdenking van de Spaanse Conquista in 1992. Zo kwam door onderzoek en door de uitwisseling van ervaringen een samenhangend eisenpakket tot stand. Centraal daarin stond territorium en zelfbeschikking.

Eerste stap
1989 bracht een internationale doorbraak in de strijd om gelijke rechten voor inheemse volkeren. De ILO, de internationale arbeidsorganisatie van de VN die werkt aan de ontwikkeling en bevordering van sociale gelijkheid en internationaal erkende mensen- en arbeidsrechten, herzag haar conventie met betrekking tot inheemse volken en nam afstand van de eerdere assimilationistische principes. De nieuwe conventie spreekt voor het eerst over ‘volken’, in plaats van ‘populaties’, hanteert het begrip ‘territorium’ en onderstreept het recht om inheemse autoriteitssystemen en rechtspraak in stand te houden. De conventie is geratificeerd door zeventien landen, waarvan dertien in Latijns-Amerika. Het is het enige internationaal bindende verdrag met betrekking tot de rechten van inheemse volkeren en is daarmee een belangrijk wapen in de strijd van inheemse bewegingen.
Volgend op de ratificatie van de ILO-conventie heeft een dozijn Latijns-Amerikaanse landen diepgaande grondwetswijzigingen doorgevoerd. De multiculturele en pluri-ethnische samenstelling van de bevolking werd officieel erkend en, bijvoorbeeld, het recht op eigen rechtspraak, het benoemen van eigen autoriteiten en collectief eigendom van een territorium, werd bij wet geregeld. In een viertal landen wordt territoriale autonomie in de grondwet erkend: Panama, Nicaragua, Ecuador en Colombia. In al deze landen leven inheemse volkeren in een meerdere of mindere mate van autonomie.

Teleurstellingen
Hoewel de inheemse beweging op papier belangrijke overwinningen boekte, is de volwaardige integratie van de inheemse volkeren in Latijns-Amerika nog ver weg. Meer autonomie voor de inheemse volken leidt volgens regeringsvertegenwoordigers al gauw tot ‘balkanisering’ van het land. Nationale regeringen zijn daarom vaak niet bereid om meer dan beperkt zelfbestuur op het niveau van de lokale gemeenschap te erkennen. Concrete verbeteringen in het onderwijs, de gezondheidszorg en de werkgelegenheid van inheemsen blijven vaak uit.
Een pijnlijk voorbeeld van het verschil tussen theorie en praktijk is Colombia. In een poging een vredesproces op gang te brengen werd in 1991 de Colombiaanse grondwet herzien en werd een serie belangrijke rechten van inheemse volken vastgelegd, waaronder territoriale rechten. Dat was een uiterst hoopgevende ontwikkeling, maar vanaf het midden van de jaren negentig is de aandacht van de regering voor inheemse rechten sterk verminderd. De neoliberale economische politiek ging de boventoon voeren en het beleid werd gericht op de exploitatie van alle mogelijke natuurlijke hulpbronnen. Vaak gaat dat ten koste van de rechten van inheemse volken. Dergelijk beleid heeft verder vorm gekregen in het ‘Plan Colombia’ dat ervan uitgaat dat de guerrilla en de drugsproduktie bestreden kunnen worden via de uitvoering van grootschalige ontwikkelingsprojecten in samenwerking met transnationale ondernemingen. Territoriale rechten van inheemse volken worden dus beknot of teruggedraaid terwijl ondertussen de indianen door het gewapende conflict tussen regering, guerrilla, paramilitairen en drugshandelaren met uitroeiing worden bedreigd.
Ook in andere Latijns Amerikaanse landen zijn de eerdere hoopgevende stappen in de richting van erkenning van de rechten van inheemse volken vaak op teleurstelling uitgelopen. De erkenning van inheemse landrechten in Bolivia is een uiterst langzaam proces als gevolg van de tegenstand van grootgrondbezitters en gebrek aan politieke wil van verschillende regeringen. In Ecuador blijven de conflicten tussen indianen en oliemaatschappijen aan de orde van de dag en in Mexico heeft de uiterst beperkte grondwetswijziging van 2001 de onvrede en teleurstelling onder de inheemse bevolking alleen maar doen toenemen. Ondertussen werkt de regering gestaag aan het Plan Puebla-Panama, een grootschalig ontwikkelingsproject voor zuid Mexico en aangrenzende landen. Dit plan voorziet in uitbreiding van de infrastructuur, grootschalige landbouw-, industrie- en toerisme projecten en de vorming van beschermde natuurgebieden. Met de belangen en aspiraties van de inheemse bevolking wordt nauwelijks rekening gehouden. Het is dan ook niet verbazend dat inheemse bewegingen in Mexico en elders in Latijns Amerika een belangrijke rol zijn gaan spelen in de bewegingen tegen globalisering en neoliberaal beleid.

In de afgelopen decennia zijn de inheemse bewegingen er in geslaagd wijdverbreide weerklank en sympathie te verwerven en hebben regeringen in antwoord daarop enige concessies gedaan. Die concessies zijn echter beperkt en worden vaak niet in concreet beleid omgezet. Om dat te bewerkstelligen zullen inheemse bewegingen nieuwe allianties moeten aangaan en nieuwe visies moeten ontwikkelen die een breed alternatief kunnen bieden voor het huidige beleid en ontwikkelingsmodel. De weg naar een ‘pluri-multi’ samenleving waarin de oorspronkelijke bewoners van Latijns-Amerika geen vreemdelingen meer zijn is nog lang.

Willem Assies werkt bij het Van Vollenhoven Instituut van de Universiteit van Leiden aan een project over landrechten (The mystery of Legal Failure). Voorheen werkte hij als docent aan het Centrum voor Rurale Studies aan het Colegio de Michoacan. Samen met Gemma van der Haar en André J. Hoekema vormde hij de redactie van ‘The challenge of diversity, indigenous peoples and reform of the state in latin america’ gepubliceerd in 2000.