In de jaren negentig leek het voor de Indiaanse organisaties vooral te draaien om erkenning en autonomie. Die thema’s lijken nu over hun hoogtepunt heen. Voorbij de autonomie tekenen zich nieuwe wegen af voor de Indiaanse organisaties.
De indiaanse strijd concentreerde zich in de jaren negentig vooral rond de grondwettelijke erkenning van culturele eigenheid en van inheemse rechtsspraak, organisatievormen en collectief landbezit. In veel landen van Latijns Amerika is die erkenning er gekomen en is de deur geopend naar een grotere mate van autonomie voor inheemse volken.
Kritiek punt
Maar erkenning en autonomie lijken over hun hoogtepunt heen als gezamenlijk strijdpunt van de Indiaanse bewegingen. Zoals een Guatemalteekse deelnemer zei tijdens een recente bijeenkomst van experts op dit gebied (1): ‘Het wordt tijd dat we verder denken dan autonomie’. In sommige landen is die strijd gewoon stuk gelopen, zoals in Mexico waar, voorjaar 2001, een zeer teleurstellende ‘Indiaanse wet’ aangenomen werd. Ook in Guatemala verzandden de hervormingen die inheemse rechten moesten garanderen, als gevolg van een referendum waarin de tegenstanders een krappe meerderheid behaalden. Ook waar wel grondwettelijke successen zijn geboekt, blijkt in de praktijk dat de Indianen hun nieuw verworven rechten lang niet altijd kunnen doen gelden. Nog belangrijker is dat de levensomstandigheden nauwelijks zijn verbeterd en neoliberale hervormingen onverminderd de bestaanszekerheid ondermijnen.
De Indiaanse beweging bevindt zich dus op een kritiek punt. Er is sprake van een zekere ontmoediging en versplintering. Een Boliviaanse expert sprak, op de eerder genoemde bijeenkomst, zelfs over een ‘crisis van de Indiaanse agenda’. Dat pessimisme wordt mede ingegeven door de teleurstellende ervaringen. Massale protesten in Ecuador en Bolivia brachten wel regeringsleiders ten val maar slaagden er niet in een substantiële koerswijziging tot stand te brengen. In Ecuador liet de kortstondige participatie van Indiaanse leiders in het kabinet van Lucio Gutiérrez een bittere smaak na.
Ten diepste politiek
Toch deel ik dat pessimisme niet helemaal. Autonomie was nooit een doel op zich, maar een middel. Dat geldt zeker voor het wettelijk vastleggen van inheemse rechten van zelfbestuur. In de roep om autonomie klonk een veelheid van andere grieven en aspiraties door. Het ging er ook om grip krijgen op lokale en regionale ontwikkeling, om het aanvechten van despotisme, bureaucratische willekeur en gebrek aan democratie, maar ook om een eind te maken aan mensonterende armoede en discriminatie, om veiligheid en waardigheid, kortom om een beter leven.
Die roep om een beter leven mag niet verward worden met de wens tot een (bescheiden) stijging van het consumptieniveau. Die fout maakte de Mexicaanse president Fox toen hij zei dat de Indianen eigenlijk gewoon een Volkswagen en een televisie willen.(2) Dat was een poging om de Indiaanse strijd te bagatelliseren en te ontdoen van haar politieke lading. Maar juist het feit dat de Indianen slachtoffer zijn van geïnstitutionaliseerd racisme, van structurele politieke uitsluiting en economische achterstelling, maakt dat hun claim op een beter leven ten diepste politiek is. Een ‘beter leven’ vereist namelijk een radicaal andere inrichting van de staat, van de maatschappij en van de economie.
In de afgelopen tien, vijftien jaar zijn er door de Indiaanse bewegingen allerlei initiatieven ontplooid om volwaardig burgerschap dichterbij te brengen. Op veel plaatsen in Guatemala en Chiapas (Mexico) kwamen Indiaanse organisaties naar voren als het meest veelbelovende alternatief voor de traditionele politieke partijen. (3) Zij nemen het voortouw in de democratisering en het bevorderen van participatie op lokaal niveau, maar ook in het zoeken naar antwoorden op de behoeften van de bevolking. En dan gaat het er zowel om te zorgen voor goede openbare voorzieningen als de corruptie te bestrijden en rekenschap af te leggen. De Indiaanse organisaties schrikken er niet voor terug de tradities ter discussie te stellen. Integendeel, zij zijn sterk in het vernieuwen van praktijken van leiderschap en besluitvorming, en nemen ook mensenrechten en de rechten van vrouwen zeer serieus. (4) Ook op andere terreinen hebben Indiaanse organisaties wat te bieden. In Colombia heeft zo’n organisatie bijvoorbeeld een zeer succesvolle gezondheidsdienst opgezet die niet alleen door de Indiaanse bevolking (die zich eindelijk serieus genomen voelt) zeer gewaardeerd wordt, maar ook als één van de beste uit de bus kwam in een onafhankelijke, landelijke evaluatie.(5)
Voorbij de autonomie
Nu de roep om erkenning en autonomie enigszins verstomt, betekent dat dus niet het einde van de Indiaanse strijd. Onder de noemers van democratisering, goed bestuur en duurzame ontwikkeling wordt de strijd om volwaardig burgerschap voortgezet. De Indianen claimen een rol in het publieke domein als dragers van een alternatief politiek project. Daarbij gaat het minder om het ‘anders zijn’, dat zoveel nadruk kreeg in het autonomiedebat, en meer om zorgen die de Indianen met andere groepen in de samenleving delen. De Zapatistas in Chiapas deden wat dat betreft een geniale zet toen zij in 2003 de Juntas de Buen Gobierno (Raden van Goed Bestuur) oprichtten. Zij sloten hiermee aan bij de grote onvrede met de ‘officiële’ politiek die niet alleen onder Indianen maar onder vele Mexicanen leefde. Door goed bestuur te koppelen aan de strijd voor sociale gerechtigheid en politieke integriteit gaven zij het bovendien de radicaalpolitieke lading die de neoliberale machthebbers willen vermijden.
Voorbij de autonomie tekenen zich dus nieuwe wegen af voor de Indiaanse organisaties. Misschien is die strijd minder gemakkelijk onder één noemer te vangen en voor buitenstaanders minder direct zichtbaar dan het geval was tijdens het afgelopen decennium. Dat betekent echter niet dat deze aan vitaliteit heeft ingeboet of minder relevant is voor de hedendaagse problemen van Latijns Amerika.
Gemma van der Haar is postdoc onderzoeker aan het Centrum voor Conflictstudies en de vakgroep Culturele Antropologie van de Universiteit Utrecht. Haar huidige onderzoek (gefinancierd door WOTRO) betreft politieke processen rond Indiaans bestuur in Chiapas (Mexico) en Guatemala.
Noten 1) Het ging om iemand die zijn sporen heeft verdiend in de verdediging van Indiaanse rechten, tijdens de conferentie Experiencias indígenas de gobierno en América latina, Parijs, 29-31 maart jl, georganiseerd door EHESS en BID.
2) Zie Natividad Gutiérrez, in Rosalva Aída Hernández, Sarela Paz & María Teresa Sierra (eds) El Estado y los indígenas en tiempos del PAN: neoindigenismo, legalidad e identidad, 2004.
3) In Guatemala middels de zogenoemde comités cívicos, in Chiapas via allianties met oppositiepartijen of in plurale gemeenschapsraden na ontbinding van het gekozen gemeentebestuur.
4) Deze conclusies vloeien voort uit een tweedaags seminar over inheems bestuur in indiaanse gebieden in Chiapas en Guatemala, 6 & 7 september, 2004, Guatemala Stad, georganiseerd door CIESAS Sureste en de Universidad Rafael Landívar.
5) Het gaat om de CRIC die hierover een presentatie gaf op de genoemde conferentie in Parijs.