Latijns-Amerika in Beweging

Politiek

Protestposters in Cajamarca
maandag, 25 juni 2012 16:44

Mijnbouw verdeelt Peru

Criminalisering van sociale leiders gaat door onder nationalistische regering

Massale protesten in de provinciale steden Cajamarca (560 km. ten noorden van Lima) en Espinar (1078 km. ten zuiden van Lima) houden Peru in de ban van het debat over de rol van de mijnbouw in de samenleving.

In november 2011 viel er al een kabinet over de problematiek. De conflicten hebben tot nu tot twee doden, tientallen gewonden en gearresteerden, een gedetineerde burgemeester en mishandelde mensenrechtenactivisten geleid. Vier parlementsleden namen op basis hiervan ontslag uit de fractie van de regeringspartij. Desalniettemin blijven politieke initiatieven om de protesten te kanaliseren en de mijnbouw beter te reguleren uit, terwijl de criminalisering van het protest gestaag vordert.

Cajamarca: “Water wel, mijnbouw niet. Conga kan niet!”
In Cajamarca eisten de protesten vorig jaar oktober al de annulering van het Conga-project van de multinational Yanacocha en in januari leidden dezen tot de nationale mars tegen de privatisering van water. Nu hebben delegaties van de boerengemeenschappen uit de invloedszone van het project zich in de regionale hoofdstad bij de vakbonden, studenten en andere sociale organisaties gevoegd voor een staking van onbepaalde tijd tegen Conga. Deze begon op 31 mei met een protestmars van duizenden inwoners uit Cajamarca die ruim twee keer zo groot was als de mars van de voorstanders van het project, twee dagen eerder.

In de daarop volgende  dagen werden er protestmarsen en symbolische acties gehouden met als doel president Humala er aan te helpen herinneren om altijd naar “de stem van het volk” te luisteren, zoals hij in zijn verkiezingscampagne beloofd had. De hernieuwde protesten maakten duidelijk dat de internationale studie om het project te verbeteren (o.a. door een deel van de lokale bergmeertjes te beschermen en de andere te vervangen door waterreservoirs die de toegang tot water in de zone zouden garanderen) en de aanvullende eisen die de regering Humala stelden aan Yanacocha, de lokale bevolking niet hebben overtuigd van het belang van Conga.

Het Amerikaanse bedrijf Newmont (grootaandeelhouder van Yanacocha) kondigde aan de investeringen in 2012 terug te schroeven en de aanvullende eisen van Humala aan het project te evalueren. Hiermee blijft de toekomst van het mijnbouwproject onzeker. De protesten zijn daarom hun derde opeenvolgende week ingegaan.

Espinar: burgemeester en mensenrechtenactisten met geweld opgepakt
In Espinar begonnen de protesten op 21 mei, de dag waarop jaren geleden de mijninstallaties van het Tintaya-project werden bezet. Sindsdien hebben lokale sociale organisaties herhaaldelijk geprotesteerd, om aandacht te vragen voor de milieuproblematiek die samenhangt met dit project, en eisen ze dat het mijnbedrijf meer investeert in lokale ontwikkelingen. Nu Tintaya op zijn einde loopt, en exploitant Xstrata het nieuwe Antapakay project wil beginnen, hebben deze eisen aan kracht gewonnen.

In de afgelopen maanden stelden deze lokale sociale organisaties een ambitieus eisenpakket op, waaronder een bijdrage van dertig procent van de winsten aan een speciaal fonds voor de lokale ontwikkeling. Ook reisden ze naar Engeland en Zwitserland (waar Xstrata zijn hoofdzetels heeft) om aandacht te eisen voor de gevolgen van de mijnbouw voor het mileu in Espinar. Gedurende deze periode bleek Xstrata niet bereid over de eisen van de bevolking te onderhandelen. Ondanks verschillende oproepen van de parlementsleden uit Cusco en van de provinciale overheid van Espinar aan de nationale regering om de dialoog tussen de gemeente, de civiele maatschappij en Xstrata te bevorderen en de mijnbouwactiviteiten beter te reguleren, bleven politieke initiatieven hiervoor uit.
 
In de laatste week van mei mondden de protesten mondden uit in gewelddadige confrontaties met de politie, waarbij twee demonstranten (Rudecindo Puma en Walter Sencia) werden doodgeschoten. Ook werden het kantoor van de Stichting Tintaya van het mijnbedrijf en een wagen van een procureur in brand gestoken. Tientallen burgers en politieagenten raakten gewond bij de confrontaties en twintig demonstranten werden hardhandig opgepakt, onder hen twee leden van de Vicariaat van Sicuani (zie kader). Zij werden vastgehouden op een particuliere politiepost op het terrein van het mijnbedrijf.

Net als in Cajamarca enige maanden geleden, werd de noodtoestand afgekondigd om de protesten onder controle te krijgen. Deze situatie werd bovendien aangegrepen om de burgemeester van Espinar, Oscar Mollehuanca,  met groot machtsvertoon op te pakken. In een reactie liet de gemeenteraad van Espinar weten geen enkele dialoog te voeren met de nationale regering zolang de vrijheid en veiligheid van burgemeester Mollehuanca –die grote populariteit geniet in Espinar door zijn nauwe relatie met de bevolking- niet wordt gegarandeerd.

Criminalisering van het protest
Mollehuanca, sociale leiders en zelfs de integranten van het Vicariaat wachten een rechtszaak voor hun rol in de protesten, waarbij ze worden beschuldigd van vernielingen, het aanzetten tot geweld en zelfs van de ontvoering van de procureur. Het Instituut voor Rechtsverdediging (IDL) en de Nationale Coordinator van de Mensenrechten (CNDDHH) hebben protest aangetekend tegen verschillende onregelmatigheden in de aanhouding en het juridische proces tegen de verdachten. Mollehuanca werd aanvankelijk veroordeeld tot vijf maanden preventieve gevangenis, in afwachting van zijn rechtszaak. Deze beslissing werd pas na bijna twee weken teruggedraaid, ondanks dat er niet eens een formeel bevel voor zijn aanhouding bestond, volgens IDL en de CNDDHH.

Tientalle sociale leiders, lokale autoriteiten en milieu- en mensenrechtenactivisten in Cajamarca werden eveneens op dergelijke wijze aangeklaagd voor hun participatie in de vreedzame protesten tegen het Conga-project. Ook in Cajamarca gebruikte de politie geweld om de protesten onmogelijk te maken. Een journalist die dit vastlegde werd in elkaar geslagen, en vrouwen die een maaltijd voorbereidden voor de demonstranten werden uitgescholden, getrapt en geslagen, waarbij ook de pan met eten werd omgegooid.

Hiermee lijkt de regering-Humala hetzelfde pad te kiezen als die van zijn voorganger Alan García. Tijdens zijn regeringsperiode waren repressie en rechtszaken de voornaamste reactie op sociale protesten, met  174 doden tot gevolg. Volgens mensenrechtenadvocaat Jorge Tacuri wordt het rechtssysteem op deze wijze gebruikt om de  sociale en politieke rechten van de bevolking te beperken: “Zo wordt de Peruanen de mogelijkheid ontnomen om hun legitieme zorgen te uiten over werkelijke problemen, waar de politiek onvoldoende op reageert”. Sinds het aantreden van Humala zijn al twaalf personen door de politie doodgeschoten tijdens protesten. Tegelijkertijd is de nauwe samenwerking tussen de politie en de mijnbedrijven evident. Deze is in Peru zelfs vastgelegd in een wettelijk akkoord. Hierin staat dat politieagenten een deel van hun tijd vrij mogen maken tegen extra betaling om toezicht te houden op de veiligheid van de bedrijven en hun instalaties.

Toenemende politieke polarisatie
Uit protest tegen de autoritaire reactie van de regering stapten de  parlementsleden Veronika Mendoza en Ruben Coa uit Cusco, en de historische leiders van Peruaans links Javier Diez Canseco en Rosa Mavila, uit de regeringspartij in het congres. Hiermee lijkt een definitief einde te komen aan de alliantie tussen de nationalistische partij van Ollanta Humala en verschillende linkse partijen en regionale bewegingen die leidde tot de verkiezingsoverwinning in 2011.

Volgens de opiniepeilingen verloor Humala grote steun na de confrontaties met de lokale bevolking in Espinar en Cajamarca (tot twaalf procent), en een groot deel van de ondervraagden (ruim veertig procent) meent dat de mijnbouw schade toebrengt aan de lokale ontwikkeling en bevolking.
 
Volgens ex-viceminister van milieu José de Echave neemt deze verdeling enkel toe: “De conflicten rond de mijnbouw nemen toe in aantal, verspreiding en intensiteit.  Vóór de regering Humala leidden mijnbouwconflicten nooit tot politieke crisis, nu is dit al voor de tweede keer het geval. Ook zijn de conflicten steeds politieker van aard; de demonstranten willen niet enkel een project stopzetten, ze eisen een ander beleid dat de publieke gezondheid, de waterbronnen en het milieu beschermt.”

Organisaties uit de civiele maatschappij hebben een groot aantal initiatieven voor dergelijke veranderingen voorgesteld in de afgelopen jaren, en  de partij Gana Peru (“Peru wint”, red) van Ollanta Humala nam deze op  in haar  verkiezingsprogramma. Participatieve processen voor ruimtelijke ordening, een robuuste wet die het recht geconsulteerd te worden garandeert voor de inheemse bevolking, een onafhankelijke autoriteit die toeziet (en sancties oplegt) op milieuverontreiniging door bedrijven, en het  einde aan de criminalisering van het sociale protest, waren slechts enkele van deze beloften. Congeslid Veronika Mendoza, die met Humala en zijn vrouw Nadine Heredia de nationalistische partij oprichtte, stelt dat juist omdat zij  nog steeds in deze structurele veranderingen gelooft, nu  zich gedwongen ziet ontslag te nemen uit de partij.

Reageer