info noticiashome
  Mensenrechten terug naar Mensenrechten
Door B. Böhler L. Zegveld
12-01-2001


Aangifte tegen Jorge Zorreguieta van 12 januari 2001
Deze documenten kunnen alleen met toestemming gepubliceerd worden

College van procureurs-generaal
Jhr. mr. J.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn
Voorzitter

Prins Clauslaan 16
2595 AJ ‘s-Gravenhage

Amsterdam,
12 januari 2001

Onze ref.
20000779.BB/lz


Betreft: Jorge Zorreguieta et al. / aangifte

Geachte heer De Wijkerslooth, Hierdoor delen wij u mede dat wij optreden als raadslieden van de heer M. Mourik, woonachtig te Callantsoog, Langevliet 1 (1759 LE). Namens cliënt doen wij hierbij
aangifte van foltering en misdrijven tegen de menselijkheid begaan door de leden van de regering van Argentinië tussen 1976 en 1983. In het bijzonder is de aangifte gericht tegen Jorge Zorreguieta, van 1976 tot 1981 lid van deze regering. Wij verzoeken u deze aangifte door te geleiden naar de terzake bevoegde (hoofd)officier van justitie. Hierbij gaat een toelichting waarin de feiten waarop de aangifte is gebaseerd en de betrokkenheid van de leden van de Argentijnse regering bij deze feiten nader zijn uiteengezet. Wij sluiten niet uit dat de aangifte op basis van verklaringen mogelijk nog zal worden uitgebreid en/of nader toegelicht. Voorts delen wij u voor de goede orde mede dat cliënt deze aangifte (inclusief de toelichting) wenst openbaar te maken. De aangifte is heden, met de bij de toelichting behorende bijlagen, tevens per post naar u gestuurd Wij verzoeken u, respectievelijk de verantwoordelijke (hoofd)officier van justitie, ons op de hoogte te houden van het verloop van het onderzoek.

Met vriendelijke groet
B. Böhler L. Zegveld

Bijlage.

1. De gebeurtenissen in Argentinië tussen 1976-1983 Op 24 maart 1976 pleegde de militaire macht in Argentinië onder leiding van generaal Jorge Videla, die op dat moment opperbevelhebber van de landmacht was, een staatsgreep. Voor velen kwam deze coup niet als verrassing aangezien Argentinië reeds lange tijd in een zware politieke en economische crisis verkeerde. Het wordt algemeen aangenomen dat de staatsgreep - die niet alleen politiek maar ook economisch gemotiveerd was - geruime tijd van tevoren was voorbereid. Dat het plan voor de staatsgreep al lang klaar was blijkt bijvoorbeeld uit het gegeven dat de belangrijkste nieuwe wetten meteen de eerste dag na de staatsgreep werden afgekondigd en gedecreteerd. Voor een chronologie van de gebeurtenissen direct vóór en ná de staatsgreep verwijzen wij naar de bijgevoegde samenvatting
(zie bijlage 1).

Tot 1983 heeft het militaire bewind het absolute gezag uitgeoefend, tot 1981 geleid door Jorge Videla (landmacht), Emilio Massera (marine) en Orlando Agosti (luchtmacht).

De regering van legerleider Jorge Videla en diens opvolgers (hierna: de "Regering") stelde zich ten doel een zogenaamd ‘Proces van Nationale Reorganisatie’ door te voeren. Twee doelen in het bijzonder werden beoogd. Ten eerste streefde de Regering naar het uitschakelen van terrorisme. De serie ontvoeringen van als terroristen aangemerkte personen die in dit verband werden uitgevoerd vonden vooral plaats direct na de machtsovername. Dit doel, te weten het uitschakelen van bestaande terroristengroepen, was dan ook reeds binnen enkele maanden na de coup bereikt.

De repressie werd evenwel ook nadien gehandhaafd teneinde het tweede doel te realiseren: het opleggen van een economisch beleid dat werd gekenmerkt door een orthodoxe liberalisering van de markt en dat de ondergang van veel kleine en middelgrote ondernemers zou betekenen (zie econoom en theoloog R. de Haan van Solidaridad, in Hervormd Nederland, 22 mei 2000, bijlage 2). In het kader van de staat van beleg die op dat moment in Argentinië gold, kondigde de Regering wetten af die politieke organisaties, vakbonden en andere als 'subversief' aangemerkte organisaties ontbonden en verboden; die het recht het land te verlaten opschortten; en die de doodstraf zetten op 'subversieve' misdrijven.

Verdere maatregelen van de Regering bestonden in het vervangen van alle zittende magistraten door rechters uit eigen geledingen, het ontbinden van het congres, de senaat en alle uitvoerende organen op landelijk en regionaal niveau. Kortom, de Regering had alle wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht naar zich toegetrokken, en oefende vanaf 24 maart 1976 het absolute gezag uit: Argentinië was een dictatuur geworden.

Onder het nieuwe dictatoriale bewind zijn vele tienduizenden personen op systematische wijze ontvoerd, gemarteld en vermoord. Naar officiële schattingen gaat het om tussen de 15.000 en 30.000 mensen. De repressie vond plaats volgens een vast stramien. Daadwerkelijke en vermeende tegenstanders van de politieke en economische doelstellingen van de Regering of hun familieleden werden ontvoerd. Na ontvoering werden ze overgebracht naar één van de ongeveer 340 geheime detentiekampen die speciaal voor het "verbergen" van politieke gevangenen in gebruik waren genomen (Comisión Nacional sobre la Desaparición de Personas (Nationale Commissie voor Verdwenen Personen, CONADEP), Nunca Mas, (Nooit Meer) Butler & Tanner, Londen, 1986, p. 51-53, bijlage 3). Ter doorzetting van de repressieve politiek van ontvoeringen en verdwijningen was het immers noodzakelijk dat de verblijfplaats van de ontvoerde personen geheim bleef en dat zij niet in aanraking kwamen met de buitenwereld. In de detentiekampen werden de gevangenen gefolterd en gedwongen namen te noemen van en verklaringen af te leggen over vermeende andere, als 'subversief' aangemerkte personen. In veel gevallen werden de slachtoffers uiteindelijk vermoord.

Voor een uitgebreide en gedetailleerde weergave van de mensenrechtenschen-dingen die in de genoemde periode hebben plaats gevonden in Argentinië verwijzen wij naar het Rapport van de CONADEP (zie hierboven, bijlage 3); het Rapport over Argentinië van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens van 1979 (Report on the Situation of Human Rights in Argentina, Organization of American States, Washington, 1979, bijlage 4); Rapport van Amnesty International, Argentinië van 1976 (bijlage 5).
2. Betrokkenheid van de leden van de Regering

De leden van de Regering in de periode 1976-1983 waren actief betrokken bij deze mensenrechtenschendingen, althans waren daarvan op de hoogte en hebben niets ondernomen om de misdrijven te voorkomen dan wel de feitelijke daders van de misdrijven te bestraffen.

Zoals gezegd, waren de repressie en het systeem van ontvoeringen, folteringen en moorden - in ieder geval ná de beginfase van de dictatuur - niet in de eerste plaats gericht tegen terroristen maar tegen de tegenstanders van het nieuwe economische beleid. Hieronder vielen met name kleine en middelgrote ondernemingen en kleine boeren voor wie de economische politiek van de zogenoemde ‘nationale reorganisatie’ levensbedreigend was.

De weerstand tegen het beleid was dan ook groot, met name van de in Argentinië traditioneel sterke vakbonden. Het verbaast derhalve niet dat een groot deel van de tienduizenden slachtoffers van de verdwijningen kleine boeren en mensen van de (agrarische) vakbond waren. Maar ook journalisten en intellectuelen die zich openlijk tegen het nieuwe economische beleid uitspraken werden het slachtoffer van de repressie. De Regering besefte terdege dat duizenden kleine ondernemers en boeren slachtoffer zouden worden van de nieuwe politiek. Zoals generaal Videla stelde:

‘A terrorist is not just someone with a gun or a bomb, but also someone who spreads ideas that are contrary to Western and Christian civilization’ (The Times, Londen, 4 januari 1978, in Nunca Mas, zie hierboven p. xiii, bijlage 3).
Ook uit onderzoeken van verschillende gouvernementele en non-gouvernementele mensenrechtenorganisaties blijkt dat de Regering direct verantwoordelijk was voor de mensenrechtenschendingen, alsmede dat deze werden uitgevoerd volgens een van tevoren nauwkeurig opgezet plan. De CONADEP welke na de machtswisseling in 1983 door de nieuwe democratische regering werd geïnstalleerd, en welke tot taak had de verdwijningen in Argentinië tussen 1976 en 1983 te onderzoeken, bevestigt deze conclusie:
‘[I]t is the sheer number of similar and inter-related cases which makes us absolutely convinced that a concerted plan of repression existed and was carried out’ (Nunca Mas, zie hierboven, p. 10, bijlage 3).
De CONADEP stelt onomwonden dat het onderhouden van bijvoorbeeld de honderden geheime detentiekampen niet mogelijk was geweest zonder de financiële en personele ondersteuning door de Regering. Het Argentijnse ‘Centrum voor Juridische en Sociale Studies' (CELS) gaat nog verder in haar oordeel:
‘The Argentine Government clearly has records, and we suppose even microfilm records, covering each of these cases of missing persons and minors handed over to others’ (UN Commission on Human Rights, E/CN.4/1492, Annex V (Working Group on Enforced or Involuntary Disappearances, 31 december 1981, bijlage 6).
De Inter-Amerikaanse Commissie van de Rechten van de Mens en Amnesty International komen tot eenzelfde conclusie na een bezoek aan Argentinië in september 1979, respectievelijk november 1976 (zie hierboven, bijlage 4 en bijlage 5]. Nu het 'Proces van Nationale Reorganisatie' niet zonder een politiek van repressie en onderdrukking kon worden doorgezet, en omgekeerd het systeem van verdwijningen werd uitgevoerd op basis van een plan door en met financiële middelen van de Regering moeten de militaire leiders en de civiele leden van deze Regering worden gezien als één geheel, samenwerkend ter doorzetting van een gemeenschappelijk politiek en economisch beleid. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de leden van de Regering verantwoordelijk zijn voor de mensenrechtenschendingen in Argentinië in de periode tussen 1976-1983.
3. Betrokkenheid van Jorge Zorreguieta

Het economische beleid dat, zoals gezegd, de basis vormde voor de repressieve politiek van de Regering was ontworpen door de toenmalige minister van economische zaken, José Martínez de Hóz. De Hóz was zelf grootgrondbezitter en nauw verbonden met multinationale ondernemingen in Argentinië (NRC Handelsblad, 29 april 2000, Zaterdag Bijvoegsel, bijlage 7).

Als minister van economische zaken gebruikte De Hóz het leger om zijn beleid aan de Argentijnse bevolking op te leggen. Zo verklaarde hij ten overstaan van enkele honderden bankiers en beleggers dat zijn economische plannen konden worden doorgevoerd, ondanks dat er onder de bevolking geen steun voor was, omdat hij de steun had van de strijdkrachten, die naar zijn zeggen ‘the only possible source of political support’ waren (Latin America Economic Report, vol. VI, nr. 14, 14 april 1978, bijlage 8; zie ook W.C. Smith, Authoritarianism and the Crisis of the Argentine Political Economy, p. 263, Stanford University Press, California, 1989, bijlage 9).

Hoewel De Hóz aan het hoofd stond van het ministerie van economische zaken, wordt het beleid van de nieuwe economie niet alleen aan hem toegeschreven maar aan zijn hele team. (Latin America Economic Report, vol. VI, nr. 45, 17 november 1978, bijlage 10; zie ook W.C. Smith, zie hierboven, p. 234, 241 bijlage 9).

Jorge Zorreguieta (hierna: "Zorreguieta") speelde in dit team een centrale rol. Nadat hij vanaf 1976, direct na de staatsgreep, de functie van 'subsecretario' van landbouw had ingenomen, benoemde Videla hem in 1979 tot 'secretario' van ditzelfde departement; Zorreguieta bekleedde deze functie tot de vervanging van Videla in 1981.

Het belang van de landbouw voor de Argentijnse economie was groot. Landbouw stond garant voor ruim 15 % van de totale economie. Twee derde van de totale oppervlakte van Argentinië is bestemd voor landbouw (R. Janssen, Argentinië p. 2 Landenmap, Novib, 1985, bijlage 11; zie ook F. Schuurman, E. Heer, Argentinië, p. 27-28 (Hst 2, ‘Economie en Beleid’), Novib, Landenreeks, bijlage 12).

De benoeming van Zorreguieta tot 'subsecretario' en later 'secretario' van landbouw verbaast niet. Hij had niet alleen de nodige kennis op het gebied van landbouw maar was vooral ook politiek betrouwbaar: voor zijn benoeming tot 'subsecretario' was Zorreguieta secretaris van de Argentijnse Vereniging van Landeigenaren en Veehouders (‘Sociedad Rural Argentina’) geweest, een belangenvereniging van grootgrondbezitters die betrokken was bij de voorbereidingen van de staatsgreep (NRC Handelsblad, 29 april 2000, Zaterdag Bijvoegsel, bijlage 13).

Gezien het belang dat de landbouwsector in het 'Proces van Nationale Reorganisatie' heeft gespeeld is het meer dan aannemelijk dat het departement van landbouw zou worden toevertrouwd aan iemand die geheel achter het beleid van de Regering zou staan. Dit wordt bevestigd door Julio Strassera, de openbare aanklager in Argentinië die in de jaren tachtig de vervolging van Videla en andere leden van het militaire junta heeft geïnitieerd:

‘Ze kozen hun burgerministers zorgvuldig uit. Ze namen niet zomaar iemand. Ze wilden geen risico lopen’ (Trouw, 23 maart 2000, bijlage 14).
Ook voormalig legerkapitein Jose Luis d'Andrea Mohr rekent de burgerministers, waaronder Zorreguieta een zware verantwoordelijkheid toe:
‘Door te zwijgen hebben ze de stilte in stand gehouden. … Het economische team van Martinez de Hoz is meer dan andere Argentijnen en zelfs meer dan andere kabinetsleden medeverantwoordelijk voor de wreedheden. Het economisch model was de kurk waarop de dictatuur dreef’ (Trouw, 23 maart 2000, bijlage 14).
In dit verband is het wellicht goed erop te wijzen dat het begrip 'secretario' tot misverstanden zou kunnen leiden met betrekking tot het belang van deze functie. Feitelijk staat de functie van 'secretario' gelijk aan die van een minister, maar omdat de Argentijnse grondwet niet meer dan acht ministeries toeliet, viel landbouw officieel onder het ministerie van economische zaken en was de hoogste functionaris van landbouw qua naam geen minister maar 'secretario'.

Bij zijn aantreden als ‘secretario’ van landbouw, in 1979, legde Zorreguieta zoals dat behoorde de eed af op de wetten van het land en verklaarde hij 'de doelstellingen van de militaire junta’ na te zullen streven. Onder deze wetten viel het Decreet van 2 juni 1976 waarin ‘lichamelijke eliminering’ van leden van linkse organisaties expliciet was vastgelegd (Amsterdam International Law Clinic, H. Bakker, W. Ferdinandusse, Advies inzake de mogelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid van leden van de Regering van Argentinië in de periode 1976-1983, 1 augustus 2000, p. 25, 26, bijlage 15; beelden van deze eedaflegging zijn door Netwerk op televisie vertoond). Mies Bouhuys, voorzitter van het comité SAAM (Steun aan Argentijnse Moeders) bevestigt dat Zorreguieta een 'belastende post' had nu hij heeft moeten onderschrijven wat het militaire bewind als regeringsprogramma opstelde en waarin de fysieke eliminering van leden van linkse organisaties werd beoogd (Hervormd Nederland, 22 mei 2000, bijlage 2).

Zorreguieta was als lid van de Regering ook van de omvang van de mensenrechtenschendingen op de hoogte. De Inter-Amerikaanse Commissie van de Rechten van de Mens had immers naar aanleiding van haar bezoek in 1979 geconcludeerd dat leden van veiligheidsdiensten, onder de verantwoordelijkheid van de Regering, zich schuldig maakten aan schendingen van de meest fundamentele mensenrechten. De Inter-Amerikaanse Commissie stuurde haar rapport in december 1979 naar de Argentijnse Regering; de conclusies en aanbevelingen van het rapport werden kort daarop gepubliceerd.

Dat burgerministers op de hoogte waren van de misrijven gepleegd in Argentinië tussen 1976-1983 mag bovendien blijken uit uitspraken van een collega van Zorreguieta, Roberto Aleman, minister van economische zaken vanaf 1981:
‘Natuurlijk wisten we wat er gebeurde … . Ik was het helemaal met de militairen eens’ (Trouw 20 maart 2000, bijlage 14)
Een andere indicatie van de betrokkenheid van Zorreguieta bij de grove mensenrechtenschendingen in zijn land is het feit dat juist die boeren verdwenen die zich niet in het beleid van Zorreguieta konden vinden. Het leger was weliswaar onafhankelijk in de manier waarop de verdwijningen werden uitgevoerd, maar moet aanwijzingen wie uit de weg moesten worden geruimd hebben gekregen van, bijvoorbeeld, het ministerie van economische zaken en landbouw. Zo suggereert dominee Hoekstra, die zelf in die tijd in Argentinië kleine boeren ondersteunde, dat het leger de namen van de te ontvoeren boeren kreeg toegespeeld van het departement van landbouw (brief in Centraal Weekblad, 1 mei 2000, bijlage 16).

Deze suggestie is aannemelijk, zeker gezien de nauwe banden tussen het departement landbouw en de driehoofdige junta. Zo werd bijvoorbeeld de naaste medewerker van Emilio Massera, Federico Roussillón, kapitein bij de marine, door genoemde Massera speciaal afgevaardigd naar het landbouwdepartement om als contactpersoon tussen landbouw en de militaire leiding te fungeren (NRC Handelsblad, 29 april 2000, Zaterdag Bijvoegsel, bijlage 13). Volgens het Comité SAAM was Zorreguieta bovendien bevriend met Videla (Hervormd Nederland, 22 mei 2000, bijlage 2).

Geconcludeerd kan worden dat het systeem van verdwijningen in de visie van de Regering noodzakelijk was om de bevolking een economisch beleid op te leggen waarvan veel boeren en middenstanders het slachtoffer zijn geworden. Dit economisch beleid kon alleen gevoerd worden met een grote mate van politieke repressie opgelegd door de ministers van de Regering. Zorreguieta bekleedde een cruciale positie op een voor de doorzetting van het 'Proces van Nationale Reorganisatie’ centraal ministerie.

Zorreguieta was op de hoogte van de verdwijning van duizenden mensen in zijn land en heeft zich expliciet vereenzelvigd met de doelstellingen van de militaire junta. In zijn periode als ‘secretario’ heeft hij zich regelmatig positief uitgelaten over het 'Proces van Nationale Reorganisatie’. Nog in 1980, tijdens een landbouwbeurs, vraagt Zorreguieta de steun van de boeren tegen de ‘werkelijke vijanden’ (Volkskrant, bijlage 17).

Nu Zorreguieta het systeem van verdwijningen heeft ondersteund, althans niets heeft ondernomen om het voortduren van deze verdwijningen te voorkomen, is hij ook voor dit onderdeel van het regeringsbeleid medeverantwoordelijk. Dit stelt ook Julio Strassera, de openbare aanklager in Argentinië die in de jaren tachtig vervolgingen heeft geïnitieerd tegen Videla en andere leden van het militaire bewind:
‘Iedereen wist wat er aan de hand was, iedereen die deel uitmaakte van dat bewind was medeverantwoordelijk en diende dus veroordeeld te worden’ (Trouw, 23 maart 2000, bijlage 14).
4. Juridische kwalificatie van de feiten

De handelingen van de leden van de Regering in de periode 1976-1983 dienen in elk geval te worden aangemerkt als foltering en misdrijven tegen de menselijkheid. Hiervoor kunnen de leden van de Regering, waaronder Zorreguieta, individueel strafrechtelijk aansprakelijk gehouden worden, zowel onder internationaal als onder Nederlands recht.

(1) Foltering

Foltering is strafbaar gesteld in het VN Folterverdrag van 1984. De normen neergelegd in het Folterverdrag behoorden echter in 1976-1983 reeds tot het internationaal gewoonterecht. Deze conclusie is gebaseerd op de jurisprudentie van het Joegoslavië Tribunaal, een viertal VN resoluties aangenomen tussen 1973 en 1975, het grote aantal mondiale en regionale verdragen dat foltering verbiedt, de beschikkingen van het Gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2000 en 20 november 2000 inzake Bouterse (paras. 5.2 en 6), het rapport van prof. C.J.R. Dugard van 7 juli 2000 uitgebracht aan het Hof Amsterdam in het kader van de hiervoor genoemde Bouterse zaak (para. 5.3, bijlage 18), en tenslotte het advies van de Amsterdam International Law Clinic (zie hierboven, bijlage 15).

In Nederland is aan het Folterverdrag uitwerking gegeven in de Uitvoeringswet Folterverdrag, welke wet op 20 januari 1989 in werking is getreden. Deze wet heeft retrospectieve werking en is derhalve slechts declaratoir van karakter. Dit betekent dat de materiële normen neergelegd in de Uitvoeringswet Folterverdrag reeds eerder als ongeschreven rechtsregels waren geaccepteerd in de Nederlandse rechtsorde (Hof Amsterdam, Bouterse beschikking van 20 november 2000, para. 6.4; zie ook Rapport Dugard, zie hierboven, paras. 8.4.3-8.4.5, bijlage 18). Op deze grond heeft het Hof Amsterdam in de Bouterse beschikking bepaald dat foltering reeds in 1982 in Nederland verboden was. Er is geen reden dat dit niet tevens voor de periode vanaf 1976 moet gelden.

De definitie van foltering in het VN Folterverdrag van 1984 komt overeen met de inhoud van het begrip foltering in het gewoonterecht van 1976-1983 (Joegoslavië Tribunaal, Delalic zaak, IT-96-21-T, 16 november 1998, para. 459; zie ook rapport Dugard, zie hierboven, para. 5.4, bijlage 18). Deze definitie is overgenomen in de Uitvoeringswet Folterverdrag. Foltering naar de stand van het gewoonterecht van 1976-1983 kan derhalve worden gedefinieerd als het opzettelijk toebrengen van zwaar letsel, lichamelijk dan wel geestelijk, door of in opdracht van een persoon met enig openbaar gezag bekleed, ter verkrijging van informatie, ter bestraffing, ter intimidatie of met een ander doel van discriminatoire aard.

De misdrijven gepleegd door de Regering tussen 1976 en 1983 voldoen aan de definitie van foltering naar de stand van het gewoonterecht in die periode. Het staat vast dat militairen (en andere betrokkenen zoals de veiligheidsdienst) in Argentinië tussen 1976-1983 opzettelijk zwaar lichamelijk en geestelijk letsel hebben toegebracht aan talloze personen met het oogmerk informatie te verkrijgen, dan wel te bestraffen of te intimideren. Voorts is het aannemelijk dat deze militairen hun aanwijzingen kregen van overheidsfunctionarissen, te weten de leden van de Regering.

(2) Misdrijven tegen de menselijkheid

De verdwijningen en folteringen uitgevoerd in Argentinië tussen 1976 en 1983 dienen voorts te worden beschouwd als misdrijven tegen de menselijkheid, nu ze zijn begaan van staatswege en op een systematische manier volgens een tevoren beraamd plan (Rwanda Tribunaal, Akayesu zaak, ICTR-96-4-T, 2 september 1998, para 580; zie ook Joegoslavië Tribunaal, Blaskic zaak, IT-95-14-T, 3 maart 2000, para 203). De gewoonterechtelijk status van misdrijven tegen de menselijkheid in 1976-1983 wordt door niemand in twijfel getrokken (Hof Amsterdam, Bouterse beschikking van 20 november 2000, para. 5.2; zie ook Rapport Dugard, zie hierboven, para. 4, bijlage 18).

Daarnaast impliceerden deze misdrijven reeds in 1983 de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de dader. Voorts konden misdrijven tegen de menselijkheid in 1983 ook tijdens vrede worden begaan, niet alleen tijdens een gewapend conflict. Misdrijven tegen de menselijkheid zijn niet onderhevig aan verjaring. Het voorgaande volgt uit de Bouterse beschikking van het Hof Amsterdam van 20 november 2000 en het advies van prof. Dugard. Hoewel het in de Bouterse zaak misdrijven betrof welke zijn gepleegd in 1982, is er ook hier geen reden een cesuur aan te brengen met betrekking tot de misdrijven die in casu vanaf 1976 zijn gepleegd.

5. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

Nu de feiten zoals in deze aangifte uiteengezet, zijn begaan in Argentinië en voor zover bekend door personen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, kunnen het territorialiteitsbeginsel in art. 2 Sr en het actief personaliteitsbeginsel in art. 5 Sr niet als grond voor rechtsmacht gelden. Een belangrijke vraag is derhalve of Nederland terzake rechtsmacht heeft. Deze vraag moet bevestigend beantwoord worden.

(1) Foltering

Internationaal gewoonterecht van 1976-1983 verbood niet alleen foltering, maar gaf tevens staten de bevoegdheid om foltering door een ieder en overal ter wereld gepleegd, te vervolgen (Hof Amsterdam, Bouterse beschikking van 20 november 2000, para. 6.4; zie ook Rapport Dugard, zie hierboven, para. 5.7.7., bijlage 18).
De Nederlandse Uitvoeringswet Folterverdrag verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan één van de misdrijven omschreven in deze wet. Zoals gezegd, bevat deze wet normen die in de periode 1976-1983 in Nederland reeds als gewoonterecht van toepassing waren.

(2) Misdrijven tegen de menselijkheid

Nederland is volgens internationaal gewoonterecht naar de stand van 1976-1983 tevens bevoegd universele rechtsmacht uit te oefenen ten opzichte van een niet-onderdaan die wordt verdacht van een misdrijf tegen de menselijkheid. Voorts is het voor de uitoefening van rechtsmacht door Nederland over leden van de Regering niet noodzakelijk dat de slachtoffers onderdanen van Nederland zijn. Noch is het noodzakelijk voor de vervolging door Nederland dat leden van de Regering zich op Nederlands territoir bevinden (Hof Amsterdam Bouterse beschikking van 20 november 2000, para 5.2; zie ook Rapport Dugard, zie hierboven, para 4.6.2, bijlage 18).

Het Nederlands recht met betrekking tot misdrijven tegen de menselijkheid stamt uit het Neurenberg tijdperk. Dit betekent dat naar Nederlands recht misdrijven tegen de menselijkheid alleen tijdens een gewapend conflict begaan kunnen worden. Deze misdrijven zijn in de Wet Oorlogsstrafrecht van 1952 slechts verzwarende omstandigheden in verband met oorlogsmisdrijven. Het is niet noodzakelijk dat Nederland betrokken is bij het gewapend conflict. De situatie tijdens het bewind van Videla kan naar alle waarschijnlijkheid niet worden gekwalificeerd als een gewapend conflict, en de verdwijningen en folteringen in die periode kunnen derhalve niet worden aangemerkt als oorlogsmisdrijven.

De Wet Oorlogsstrafrecht van 1952 biedt derhalve niet direct een grondslag voor vervolging van verdachten van misdrijven tegen de menselijkheid door de Nederlandse rechter op basis van universele jurisdictie. Deze constatering hoeft echter vervolging van deze misdrijven in Nederland niet uit te sluiten om de volgende twee redenen.

In de eerste plaats is Nederland onder internationaal recht bevoegd en vermoedelijk zelfs verplicht om misdrijven tegen de menselijkheid te vervolgen op grond van universele jurisdictie. Deze verplichting rust niet alleen op de Nederlandse wetgever, maar ook op de Nederlandse rechter. De Nederlandse rechter is gehouden met voorrang toepassing te geven aan internationaal recht boven nationaal recht indien de bepalingen van het nationale recht niet stroken met het internationale recht.

Benadrukt dient te worden dat de omzetting van internationale normen in nationaal recht een eis van nationaal recht is, die door het internationaal recht geenszins wordt gesteld. Individuen worden door internationale tribunalen rechtstreeks op grond van het internationale recht vervolgd; er is geen reden aan te nemen dat een nationale rechter het internationale recht niet direct zou kunnen toepassen (L. Zegveld, Beschikking van Gerechtshof Amsterdam van 20 november 2000 inzake Bouterse, Militair Rechtelijk Tijdschrift, februari 2001, in druk, bijlage 19). Directe toepassing van het internationale recht door de Nederlandse rechter is tevens geboden nu de Nederlandse wetgeving met betrekking tot misdrijven tegen de menselijkheid stamt uit de periode net na de Tweede Wereldoorlog, vijftig jaar geleden. Ten slotte is van belang dat individuen vervolgd kunnen worden op grond van gewoonterecht. De Joegoslavië en Rwanda Tribunalen hebben internationaal gewoonterecht gebruikt als grondslag voor individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid (zie Joegoslavië Tribunaal, Furundzija zaak, IT-95-17/1-T, 10 december 1998, para. 140 en Tadic zaak, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, para. 134). Aangezien het Statuut van het Permanent Strafhof zelf geen materieel recht creëert, zullen ook individuen die onder de jurisdictie van dit Strafhof worden gebracht, worden vervolgd op grond van gewoonterecht.

In de tweede plaats is vervolging van misdrijven tegen de menselijkheid door de Nederlandse rechter op grond van universele jurisdictie geboden nu de handelingen die strafbaar zijn gesteld onder de term ‘misdrijven tegen de menselijkheid’ al sinds lang strafbaar zijn onder nationaal Nederlands recht en onder internationaal recht. Moord, foltering en standrechtelijke executies zijn als strafbare feiten neergelegd in het Wetboek van Strafrecht. Foltering is tevens verboden onder het Verdrag tegen Foltering van 1984, welk verdrag in Nederlands recht is omgezet. Het massale en systematische karakter van deze misdrijven kan naar Nederlands recht bovendien een apart delict opleveren (bijvoorbeeld zware mishandeling met voorbedachte raad) of kan een strafverzwarende omstandigheid zijn. Uit het voorgaande volgt dat misdrijven tegen de menselijkheid al reeds lange tijd een integraal onderdeel zijn van het Nederlandse nationale recht. Voor de bestraffing van deze misdrijven door de Nederlandse rechter op grond van universele jurisdictie kan aangeknoopt worden bij het internationale gewoonterecht.

6. Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de leden van de Regering


Zoals eerder duidelijk is geworden, staat weliswaar niet vast dat de leden van de Regering in de periode 1976-1983 de verdwijningen en folteringen met eigen handen hebben uitgevoerd. Maar zij hebben in ieder geval een plan ontworpen, volgens welk plan de veiligheidsdiensten, speciale task forces, de politie en militairen opereerden. De Regering gaf bovendien aanwijzingen aan de personen die de misdrijven feitelijk uitvoerden.

Net als het Nederlandse recht kent het internationale recht verschillende deelnemingsvormen, waaronder medeplegen en medeplichtigheid. Voor een nadere uitwerking van de deelnemingsvormen in het internationale recht verwijzen wij naar het advies van de Amsterdam International Law Clinic (zie hierboven p. 23-33, bijlage 15).

Eén bijzondere vorm van aansprakelijkheid in het internationale recht verdient nadere aandacht. Het betreft de aansprakelijkheid van politieke en andere civiele leiders voor het nalaten misdrijven, welke zijn uitgevoerd door ondergeschikten, te voorkomen dan wel te bestraffen, de zogenaamde ‘command responsibility". Dat 'passieve' leden van de regering strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden, wanneer er tijdens de periode dat zij deel uitmaakten van de regering op grote schaal mensenrechtenschendingen zijn gepleegd, werd reeds door het ‘International Military Tribunal for the Far East' in 1948 aanvaard:

‘A member of a cabinet which collectively, as one of the principal organs of the Government, is responsible for the care of prisoners is not absolved from responsibility if, having knowledge of the commission of the crimes …, and omitting or failing to secure the taking of measures to prevent the commission of such crimes in the future, he elects to continue as a member of the cabinet. This is the position even though the department of which he has the charge is not directly concerned with the care of prisoners. A cabinet member may resign. If he has knowledge of ill-treatment of prisoners, is powerless to prevent future ill-treatment, but elects to remain in the cabinet thereby continuing to participate in its collective responsibility for prosecution of prisoners, he willingly assumes responsibility for any ill-treatment in the future’ (geciteerd in Paust, J. et al., International Criminal Law - Cases and Materials, Carolina Academic Press, Durham, 1996, p. 33).
Dat 'command responsibility' wegens nalaten niet alleen voor militairen, maar tevens voor civiele leiders geldt, volgt ook uit verschillende recente internationale instrumenten. Artikel 28 lid 2 van het Statuut van het Permanent Strafhof erkent de aansprakelijkheid van alle "superior and subordinate relationships" die niet gekwalificeerd kunnen worden als "a military commander or a person effectively acting as a military commander’. Vergelijkbare bepalingen zijn te vinden in het Statuut van het Joegoslavië Tribunaal en het Statuut van het Rwanda Tribunaal (zie respectievelijk artt. 7 en 6). Dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid zich tevens tot civiele leiders uitstrekt volgt ook uit de jurisprudentie van de ad hoc Tribunalen. In de Aleksovsky zaak, bepaalde het Joegoslavië Tribunaal dat de term ‘superior’ in artikel 7(3) van zijn Statuut ‘can be interpreted only to mean that superior responsibility is not limited to military commanders but may apply to the civilian authorities as well’. (Aleksovski zaak, IT-95-14/1-T, para. 75, 25 juni 1999). Het Tribunaal beschouwt de aansprakelijkheid van civiele leiders als internationaal gewoonterecht (id.; zie ook Celebici zaak, IT-96-21-T, 16 November 1998, paras. 357-363).

Voor de aansprakelijkheid van civiele leiders wegens nalaten geldt een lagere drempel dan bijvoorbeeld voor samenzwering of medeplegen. Voorwaarden voor deze vorm van aansprakelijkheid zijn (1) dat de persoon in kwestie een leidinggevende functie heeft, de jure of de facto; (2) dat hij op enig moment kennis had of had moeten hebben van het gepleegde misdrijf door een ondergeschikte; (3) dat hij in de gelegenheid was om stappen te ondernemen; en ten slotte (4) dat hij naliet dergelijke stappen ter voorkoming of bestraffing van de feitelijke daders te nemen (zie Paust, zie hierboven, p. 30). Deze voorwaarden zijn identiek voor civiele en militaire leiders.

Het moge duidelijk zijn dat Zorreguieta en andere leden van de Regering in ieder geval de jure een leidinggevende functie bekleedden. Het tweede vereiste, het kennis-criterium, moet ruim worden opgevat. Als de leidinggevende informatie tot zijn beschikking had op basis waarvan hij, in de gegeven omstandigheden, de conclusie had kunnen trekken dat er misdrijven gepleegd werden, is reeds aan dit criterium voldaan (zie art. 86(2) Additioneel Protocol I bij de 1949 Geneefse Conventies; art. 7(3) Statuut Joegoslavië Tribunaal; art. 6(3) Statuut Rwanda Tribunaal). In de Celebici zaak, formuleerde het Joegoslavië Tribunaal het als volgt:
‘A superior may possess the mens rea required to incur criminal liability where: (1) he had actual knowledge, established through direct or circumstantial evidence, that his subordinates were committing or about to commit crimes referred to under Article 2 to 5 of the Statute, or (2) where he had in his possession information of a nature, which at least, would put him on notice of the risk of such offences by indicating the need for additional investigation in order to ascertain whether such crimes were committed or were about to be committed by his subordinates’ (Celebici zaak, zie hierboven, para. 383, cursief in (1) en (2) toegevoegd).
Het Tribunaal noemt een aantal indicatoren om de wetenschap van misdrijven van leidinggevenden vast te stellen: het aantal misdrijven; de aard van de misdrijven; de periode gedurende welke ze zijn gepleegd; de geografische spreiding van de misdrijven; de logistiek die met de misdrijven gemoeid is.

Er kan redelijkerwijs geen twijfel bestaan dat, nu het in casu ging om verdwijningen en folteringen gepleegd gedurende acht jaren, verspreid over naar schatting 340 detentiekampen, volgens een vooropgezet plan, alle leden van de Regering, waaronder Zorreguieta de noodzakelijke kennis bezaten om hen op basis van civiele ‘command responsibility’ aansprakelijk te stellen.

Blijft over de vraag wat van de leden van de Regering, en dus ook van Zorreguieta, verwacht mocht worden om deze misdrijven te voorkomen dan wel de daders ervan te bestraffen. Uitgangspunt is dat van hen kon worden verwacht dat ze die maatregelen namen die binnen hun feitelijke capaciteit lagen. Als we ons beperken tot Zorreguieta, dan dient een reeks van maatregelen zich aan die hij in de gegeven omstandigheden had kunnen nemen: instellen van onderzoek, opzetten van een systeem van rapportage van de militairen aan de Regering of gewoon aftreden.

Meest in het oogspringend is echter de minst vergaande maatregel die is neergelegd in het Statuut van het Permanent Strafhof, welk Statuut bepaalt dat leidinggevenden ook verplicht kunnen zijn ‘to submit the matter to the competent authorities for investigation and prosecution’. Niet is bekend van enige stappen van Zorreguieta in deze richting. Gezien het feit dat hij tot de vervanging van Videla verbonden is gebleven aan de Regering en zelfs in die periode is gepromoveerd tot ‘secretario' van landbouw, moet worden aangenomen dat hij dergelijke stappen niet heeft ondernomen, maar veeleer het plegen van de misdrijven heeft aanvaard, zo niet actief ondersteund.

Nu de leden van de Regering, waaronder Zorreguieta, een leidinggevende positie bekleedden en zij zonder twijfel op de hoogte waren van de misdrijven die systematisch en langdurig in Argentinië werden gepleegd, en zij niets hebben ondernomen deze te voorkomen dan wel te bestraffen, kunnen zij daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk gesteld worden.

7. Immuniteit en amnestie

Voor de vraag naar de strafbaarheid van de leden van de Regering onder internationaal recht is voorts de vraag naar hun eventuele immuniteit van belang. Het lijdt geen twijfel dat zij geen immuniteit met betrekking tot rechtspraak in andere landen genieten. Hoge vertegenwoordigers van de staat, zoals ministers, genieten slechts immuniteit voor handelingen gepleegd in de uitoefening van hun functie (zie P.H. Kooijmans, Internationaal Publiekrecht in Vogelvlucht, Wolters Noordhoff, zesde druk, 1996, p. 72). Zoals het Hof Amsterdam in de Bouterse beschikking heeft aangegeven:
‘[h]et plegen van zeer ernstig strafbare feiten als waarom het hier gaat, kan … niet tot de officiële taken van een staatshoofd worden gerekend’ (Hof Amsterdam, Bouterse beschikking van 20 november 2000, para. 4.2).
Waar het staatshoofd geen immuniteit geniet met betrekking tot buitenlandse rechtsmacht, geldt dit zeker voor personen onderschikt aan het staatshoofd.

Ten slotte moeten de verschillende vormen van amnestie aan de orde komen die Argentinië heeft afgekondigd voor mensenrechtenschendingen begaan tussen 1976-1983. Het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (geratificeerd door Argentinië op 8 augustus 1986) en het Amerikaanse Verdrag inzake de Rechten van de Mens verplichten Argentinië om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen ter zake van de op eigen grondgebied gepleegde strafbare feiten, die schendingen van mensenrechten opleveren. De implicatie van de vervolgingsplicht van Argentinië is dat amnestie voor foltering en andere misdrijven is verboden (L. Zegveld Armed Opposition Groups in International Law: The Quest for Accountability, p. 83-86, Dissertatie, Rotterdam 2000, wordt gepubliceerd door Cambridge University Press zomer 2001, bijlage 20). De verschillende vormen van amnestie verleend door de wetgevende en uitvoerende macht in Argentinië kunnen vervolging door andere staten derhalve niet voorkomen.

Ook internationale organen hebben veelvuldig bepaald dat amnestie voor ernstige mensenrechtenschendingen verboden is onder het internationale recht. In de Furundzija zaak heeft het Joegoslavië Tribunaal bepaald dat amnestie voor foltering geen internationale erkenning zal krijgen (zie hierboven, paras. 151-157). De Inter-Amerikaanse Commissie heeft fel geageerd tegen de straffe-loosheid die het gevolg was van de Amnestie Wet van 20 Maart 1993 aangenomen door de Regering van El Salvador. De Inter-Amerikaanse Commissie keurde de wet af en stelde dat El Salvador:
‘[had a] legal duty...to use the means at its disposal to carry out a serious investigation of violations committed within its jurisdiction, to identify those responsible, to impose the appropriate punishment’ (Report on the Situation of Human Rights in El Salvador, OEA/Ser.L/V/II.85, Doc.28 rev. 1994, p. 71, bijlage 21).
Steun voor het standpunt dat amnestie voor mensenrechtenschendingen verboden is, geeft ook het Mensenrechtencomité in zijn ‘general comment’ bij artikel 7 van het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, inzake foltering. Het Comité stelt daarin dat amnestie voor foltering gepleegd door personen die in een particuliere hoedanigheid handelden is
‘generally incompatible with the duty of States to investigate such acts’ (General Comment 20/44, 1992, paras. 2, 15, bijlage 22).
Zorreguieta en andere leden van de Regering kunnen derhalve geen beroep doen op hun verleende amnestie ter voorkoming van buitenlandse strafvervolging. Ten slotte dient opgemerkt te worden dat de verschillende vormen van amnestie afgekondigd in Argentinië na 1983 tot stand zijn gekomen onder hevige politieke druk nu gevreesd werd dat vervolging van burgerministers tot onrust zou leiden in bepaalde Argentijnse kringen.

8. Conclusie

Sinds de Tweede Wereldoorlog is het besef gegroeid dat de vervolging en berechting van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en foltering de aandacht behoeven van de internationale gemeenschap. Met de tribunalen van Neurenberg en Tokio en meer recentelijk de Joegoslavië en Rwanda Tribunalen, alsmede de nabije komst van een Permanent Strafhof, zijn hiertoe concrete stappen gezet. De ontwikkelingen op het gebied van het internationale recht hebben er toe geleid dat het juridische instrumentarium ter vervolging van de genoemde misdrijven ook op nationaal niveau steeds verder werd uitgebreid.

De beschikking van het Hof van Amsterdam van 20 november 2000 inzake Bouterse reflecteert deze ontwikkelingen. Deze beschikking neemt een aantal wezenlijke juridische obstakels voor vervolging van zaken met een internationaalstrafrechtelijk karakter weg. Daarnaast speelt Nederland bij de vervolging van internationaal-rechtelijke misdrijven als gastland voor de genoemde tribunalen en het Permanent Strafhof een bijzondere rol. Het Nationale Opsporingsteam Joegoslavische Oorlogsmisdadigers (NOJO) opgezet in 1995 in Nederland met daaraan verbonden een officier van justitie specifiek belast met de vervolging van oorlogsmisdrijven, is een uiting van deze bijzondere rol. Vervolging in Nederland van de leden van de Argentijnse Regering in de periode 1976-1983 ligt om bovengenoemde redenen voor de hand.

In landen als Spanje en Duitsland is door het instelling van strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot de misdrijven gepleegd in Argentinië in de periode 1976-1983 reeds een begin gemaakt en in Italië zijn recentelijk verschillende Argentijnse militairen tot lange vrijheidsstraffen veroordeeld. Nederland dient hier geen uitzonderingspositie in te nemen.

Volledigheidshalve wijzen wij erop dat Amnesty International, het 'Centrum voor Juridische en Sociale Studie', het Comité SAAM, het Latijns-Amerika Centrum, alsmede de (nabestaanden van) slachtoffers en vluchtelingen uit Argentinië het streven om de verantwoordelijke leden van de Regering ook in Nederland strafrechtelijk te vervolgen, ondersteunen.

Een vervolging in Nederland ligt des te meer voor de hand wanneer leden van de Regering permanent in Nederland verblijven of Nederland regelmatig bezoeken. In dit verband is van belang dat in ieder geval Zorreguieta zeer recentelijk in Nederland verbleef en dat niet uit te sluiten valt dat hij ook in de toekomst regelmatig in Nederland zal zijn.

Gelet op het bovenstaande en gezien het vaak beleden belang van Nederland bij de vervolging van misdrijven tegen de menselijkheid en foltering dienen de leden van de Regering, waaronder Zorreguieta, in Nederland strafrechtelijk vervolgd te worden.