MENSENRECHTEN:
Mensenrechten vs. Zorreguieta
Miguel Bonasso: De leugens en onwaarheden van Zorreguieta
De leugens en onwaardheden
van de vader van de toekomstige prinses Maxima van Nederland
De 10 waarheden van Zorreguieta
Geconfronteerd met het verbod door het koninklijk huis om
het huwelijk bij te wonen van Prins Willem-Alexander met zijn dochter
Máxima, publiceerde Zorreguieta 10 "waarheden" die hem zouden
rechtvaardigen. De ex-functionaris in de dictatuur liegt en verdedigt zijn
bazen.
Volgens Zorreguieta waren zelfs de Peronistische vakbonden
voorstanders van de militaire staatsgreep. In een poging de onkunde van de
Nederlanders te benutten verdraait hij het verleden.
Door Miguel Bonasso (1 april 2001)
Jorge Zorreguieta, de vader van de schoondochter van
Koningin Beatrix, zond gisteren een bericht van 10 punten "aan het volk
van Nederland" om zijn deelname te verduidelijken in de militaire
regering van april 1976 tot maart 1981. Hierin liegt hij brutaal van de
eerste tot en met de laatste regel, en kan niet verhinderen dat het
onderbewuste, onderworpen aan de beslistheid van de feiten, hem verraadt.
"De Tien Geboden" van Zorreguieta werden integraal gepubliceerd op
pagina 2 van het dagblad La Nación. In deze krant verscheen recent ook een
brief van moordenaar Jorge Rafael Videla, waarin hij poogt zijn verklaringen
terug te nemen welke hij deed in El Dicatador, het grondige werk van María
Seoane en Vicente Muleiro.
Zorreguieta, een man die historisch gezien verbonden is
aan José Alfredo Martínez de Hoz en de Sociedad Rural Argentina, benut de
vermeende politieke onwetendheid van de Nederlanders over de historie van
ons land om ze in communie een hostie van graniet aan te bieden. Hij vergeet
dat tijdens de Wereldkampioenschap Voetbal in 1978 toen hij hoge
functionaris van de militaire dictatuur was, de spelers van de Nederlandse
voetbalselectie de moed hadden de Moeders van de Plaza de Mayo te ontmoeten.
Reeds in de inleiding waar hij zijn redenen geeft die hem tot nu toe deden
zwijgen, verdraait hij de feiten door te spreken van een "militaire
regering", welke volgens criteria van de internationale gemeenschap een
dictatuur van genocide en terroristen was.
In punt 1 beschrijft hij "de situatie van
economische, sociale en politieke chaos" die heerste tijdens de
regering van Isabel Péron, en beweert dat "er overeenstemming was
tussen de politieke partijen, vakbonden, werkgevers organisaties en de
publieke opinie in het algemeen dat de militaire strijdkrachten orde in het
land brachten om zo te komen tot een stabiele en vredige democratie".
Feiten achterwegelaten is liegen. Zorreguieta laat achterwege dat de
beroerde regering van de weduwe van Péron enkele maanden voor het einde van
haar looptijd was en dat deze vervangen had kunnen worden door middel van
verkiezingen.
Duidelijk te kwader trouw spreekt hij van de vakbonden als
medestanders van de staatsgreep, en zegt niets over de inmenging in de CGT
en alle andere vakbonden, de gevangenneming en zelfs ontvoering van
vakbondsleiders, en de ontvoering van, marteling van en moord op duizenden
leden van hun basis, beginnende bij die in de fabriek Acindar, van zijn baas
en vriend Martínez de Hoz.
Ook vergeet hij dat de overgrote meerderheid van de
Peronistische leiders werden overgebracht naar de gevangenisboten en andere
gevangenissen. Dat activiteiten van politieke partijen opschort werden en
dat de "publieke opinie" zich niet vrij kon uitdrukken door de
ijzeren pers censuur opgelegd door het regiem. Iets eerlijker is hij wanneer
hij spreekt van de steun aan de militairen van zekere "ondernemers
eenheden", zoals de Consejo Empresario Argentino en de Sociedad Rural,
die begonnen samen te zweren tegen de constitionele regering reeds in juli
1975 in de beroemde bijeenkomsten die de advocaat-ondernemer Jaime
"Jacques" Perrriaux samenriep. Hierover spraken wij reeds bij
andere gelegenheden. Samenzwering vond plaats in de hele ondernemerssector,
tot welke ook Zorreguieta behoort.
De koppigheid van de Sociedad Rural ten gunste van het
"Proces van Nationale Re-organisatie" was zo vasthoudend en zo
verweven dat het in maart 1981, toen al niemand meer de schendingen van de
mensenrechten zou kunnen ontkennen, een artikel publiceerde waarin het de
nederlaag van de "nationale vijand" vierde. Het merkte echter op
dat de heilige strijd" tegen het communisme" zich zou doorzetten
buiten de Argentijnse grenzen en dat de gemeenschap alert zou moeten zijn
voor een mogelijke verspreiding van subversieve elementen. Het artikel met
zijn gebreken en punt 1 van de huidige vrijpleiting van Zorreguieta zijn van
dezelfde strekking, hoewel de man van de Agrarische sector nu nuchterder is
en geen oude kreten gebruikt als "de strijd tegen het communisme".
In punt 2 rechtvaardigt het komende politieke familielid
van het Huis van Oranje zijn toetreding tot de militaire dictatuur als een
product van zijn agrarische roeping en van de heersende "nationale
desintegratie". "Ik kan niet mijn samenwerking ontkennen als
staatssecretaris van Landbouw in april 1976, en later vanaf 1979 als
Minister". Een zogenaamde behoudende attitude die zich slecht verdraagt
met zijn verleden als lobbyist, die hij doorzet in zijn activiteiten als
verantwoordelijke voor het Centro Azicarero, achter welke steekt de
suikerfabriek Ledesma en de familie Blaquier. Deze zijn dermate machtig dat
zij weten te bereiken dat het zoete product wordt beschermd in de Mercosur
verdragen tegen zekere Braziliaanse concurrentie.
In hetzelfde punt haalt Zorreguieta de eeuwige
rechtvaardiging tevoorschijn van alle burgers die de staatsgreep bevorderden
en haar functionarissen in hemd met stropdas waren: het was een
"technische" verantwoordelijkheid, blijkbaar ver weg van de
wisselvalligheden van de repressie. Het is als of een Minister van Hitler
zegt: "ik was een techneut, ik had niets te doen met de
verbrandingsovens in Auschwitz".
In punt 3 beweert hij dat het aanbod van de baan in 1976
een grote relatie had met de posities die hij innam in diverse landbouw
organisaties. En hij vergeet weer te vermelden tot hoever deze organisaties
verweven waren met organisaties van de militairen in de voorbereiding en
uitvoering van de staatsgreep die ongetwijfeld een klasse doelstelling had:
deïndustralisatie van het land, drastisch overbrengen van de rentabiliteit
richting sectoren met grotere inkomsten, verpulveren van de welzijnsstaat
die gecreëerd was door de eersten Peronisten in 1945. Het ellendige land,
waarin we nu leven, werd ontworpen door deze mensen in dienst van de klasse
van grootgrondbezitters en het nationale en internationale financiële
kapitaal.
In punt 4 verandert Zorreguieta onverwacht in een
geschiedschrijver en herinnert dat "vanaf 1969 (in de opstand van de
inwoners van Cordoba welke hij niet vermeldt) ontwikkelt zich in groeiende
vorm subversieve activiteit" door het Ejército Revolucionario del
Pueblo (ERP) en de Montoneros. Hier is de vergissing van het weglaten nog
opmerkelijker: de "subversieve activiteit" begon met het
bombardament van het Plazo de Mayo in 1955, die Zorreguieta en Martínez de
Hoz begroetten; met de dictatuur van Aramburu en Rojas en de opeenvolgende
staatsgrepen waarvan Martínez de Hoz en Zorreguieta hoge functionarissen
waren. Onder deze staatsgrepen waren die van de generaals Juan Carlos
Onganía y Alejandro Lanusse (1966-1971).
Hij voltooit de uitweiding met het klassieke argument van
de militaire moordenaars: "De strijd tegen subversieve elementen door
de militaire strijdkrachten begon voor 1976 in opdracht van de constitionele
president Isabel Perón". Men duidt hier op dezelfde ramp in het eerste
punt om de coup van 24 maart te verklaren. Aleen hier spreekt men met
respect over de "constitionele president" omdat het hier dient om
het clandestiene handelen tegen de guerrilla te rechtvaardigen welke
Zorreguieta zwijgend blijft ondersteunen. Nu goed, als één van de
belangrijkste oorzaken van de staatsgreep de strijd tegen de subversieve
elementen was en deze strijd reeds aangevangen was gedurende het bewind van
Isabel, waarom zou men deze omverwerpen?
"In het Ministerie van Landbouw had men geen kennis
van de respressie die men uitvoerde", zegt de vader van de toekomstige
koningin der Nederlanden in punt 5. Página/12 herinnerde gisteren aan het
feit dat op 29 maart 1976, 5 dagen na de staatsgreep, "de tanks van het
leger de hoofdzetel binnengingen van het INTA (Instituto Nacional de
Tecnología Agricultura), genaamd Castelar, een orgaan dat onderdeel is van
het Ministerie van Landbouw, en dat er vervolgens ontvoeringen waren en
verdwijningen in diverse afdelingen". Maar Zorreguieta vernam niet dat
de tanks een terrein opgingen dat onder zijn supervisie stond, en dacht
misschien dat ze een film aan het schieten waren. Terwijl hij appelleert aan
de onkunde van de geadresseerden, bevestigt hij dat hij niet wist van de
kenmerken van het regiem, omdat "het groepen onafhankelijke militairen
waren die handelden tegen cellen guerrillas die ook onafhankelijk
waren". Hij vergeet dat in (het boek) Nunca más, in de rechtszaak
tegen de Juntas, in honderen publicaties en ook in strafzaken in Europese
juridische zetels zoals Baltasar Garzón die voert in Spanje, men tot in den
treuren heeft bewezen dat de zogenaamde "groepen onafhankelijke
militairen" rapporteerden aan de leiding van het leger en dat zij
handelden in antwoord op een plan tot uitroeiing welke persoonlijk werd
opgesteld door een collega van Zorreguieta in het kabinet, generaal Roberto
Viola.
In hetzelfde punt beweert hij dat in zijn frequente reizen
naar het buitenland tussen 1977 en 1979 "men hem geen enkele aanklacht
of vermelding gaf over de schending van de mensenrechten in Argentina".
Hier wordt de leugen grof, onbeschoft. In 1978, dankzij de
Wereldkampioenschappen Voetbal, besteedde de wereldpers ruim aandacht aan de
concentratiekampen in Argentinië. En herinnerde dat één van de meest
schrikwekkende, ESMA, op weinig meters lag van het stadium van River Plate,
plaats van de opening en de sluiting van de Cup. In 1979 had de Argentijnse
militaire dictatuur serieuze problemen met de Amerikaanse president James
Carter als gevolg van de ernstige schendingen van de mensenrechten die door
zijn eigen VS ambassadeur Raúl Castro werden gerapporteerd en door een
functionaris van het State Department, Patricia Derian. Ook al was het
weinig, er was een intense publieke druk in de Verenigde staten om de
vrijlating te bereiken van de journalist Jacobo Timerman. En herhaalde
verzoeken dat men een vrijgeleide gaf aan ex-president Héctor Cámpora,
welke men verplichtte te schuilen in de Mexicaanse ambassade in Buenos Aires
gedurende drie jaar. Al deze schendingen van de mensenrechten werden
uitvoerig geregistreerd door de Comisión Interamericana de Derechos Humanos
van de OEA die het land bezocht van 3 t/m 20 september 1979. Zorreguieta zal
wel zijn wezen jagen op hazen op zijn landgoed in Pergamino, toen zich lange
rijen van familieleden vormden om de eerste, historische beschuldigingen te
presenteren voor dit belangrijke internationale orgaan.
"Vanaf 1984 kende men de excessen, gepleegd tijdens
de repressie", zegt Zorreguieta in zijn volgende punt. Hiermee liegt
hij twee keer. Ten eerste, omdat we al weten dat het onmogelijk was geen
weet te hebben van zekere afschuwelijke feiten die gepleegd werden door de
staat in de voorfgaande jaren. Ook in enige lokale publicaties, zoals de
Buenos Aires Herald en La Opinión (voor de ilegale inmenging), verschenen
brede aanklachten tegen ontvoeringen en de presentatie van habeas corpus. De
moeders van de Plaza de Mayo, die Zorreguieta zeker zou beschouwen als
"gekken", liepen rondjes op de Plaza de Mayo sinds 1977.
Op de tweede plaats liegt hij omdat er geen "excessen
van de repressie" waren, maar uitwerkingen gewenst en bereikt door de
militaire leiders toen zij het plan van operaties ontwierpen. Dit is zo
bewezen op juridische wijze in de rechtszaak tegen de Juntas in 1985.
Zorreguieta voelt laat "een grote pijn" vanwege deze
"excessen" van de regering van welke hij als Minister deel
uitmaakte, hetgeen een weerzinwekkend opportunisme suggereert.
In de volgende alinea kan men zich geruststellen als hij
bevestigt dat "in al die jaren die voorbijgingen sinds toen, heb ik
deelgenomen aan het democratische leven van mijn land". Hiermee liegt
hij niet, maar hij moffelt weer een belangrijk feit weg: de Argentijnse
democratie is dermate kortzichtig dat deze slager Bucci toestond
constitioneel governeur van Tucumán te worden. "Ik geloof in de
democratie en de rechten van de mens, beginselen in welke in mijn kinderen
heb opgevoed", beweert de suiker lobbyist in punt 8. Een verklaring die
niet strookt met zijn handelen in het verleden als functionaris van drie
militaire dictaturen. In punt 9 eist hij een "goed vertrouwen" op
die dit artikel radicaal logenstraft.
In punt 10 voor welke het Huis van Oranje zich
interesseert, zegt hij dat het mooi zou zijn geweest aanwezig te zijn bij
het huwelijk van zijn dochter Máxima en kroonprins Willem-Alexander, maar
het niet zal doen om "onenigheden" te vermijden waartoe hij
aanleiding zou kunnen geven en dat deze onenigheden "een negatieve
invloed op de toekomstige rol en positie" zouden kunnen hebben van zijn
dochter "als lid van het Koninklijk Huis der Nederlanden". Hij
presenteert deze verklaring die hem opgelegd is, als ware het een
grootmoedige geste van een nobele en liefhebbende vader. Echter hij moet
indirect erkennen, dat de dwalingen gepleegd door de klasse waartoe hij
behoort en het regiem waartoe hij behoorde, zich zo diep hebben
doorgedrongen tot de internationale gemmenschap, dat de grote ridder van het
platteland verboden wordt dat wat in het bereik ligt van een nederige
groentenboer op de hoek: de kerk binnentreden met je dochter aan de arm.
|