Feiten en meningen over
Argentinië
Aan geen land in Latijns-Amerika is de laatste tijd in
de media zoveel aandacht besteed als aan Argentinië. Met als hoogtepunt de
laatste weken van maart: de herdenking van de militaire staatsgreep op 24
maart en op 30 maart de aankondiging van de verloving tussen
Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta. Wat kan LA Chispa nog toevoegen aan
de duizenden volgeschreven krantenkolommen? "Het is gemakzucht te
wijzen op de fouten van Nederland en daarom niets te doen", zegt de
Argentijnse journalist. "De zaak Zorreguieta is politiek zo geladen dat
ze de zaak Bouterse tegenhoudt", zegt de advocate die een aangifte
tegen Zorreguieta heeft ingediend. En de secretaris van de Nederlandse
ambassade in Argentinië in de periode voor de coup zegt: "De ambassade
gaf prioriteit aan het verhogen van de omheining rond de ambtswoning in
plaats van vluchtelingen naar Nederland te helpen." Een drieluik.
Maja Haanskorf
I. Het vingertje van de
dominee
‘Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen.’
Nederland is bepaald niet vrij van zonden en dient dus haar mond te houden
over de kwestie Zorreguieta, denken veel Nederlanders. Anderen hanteren het
uitgangspunt ‘beter laat dan nooit’ en grijpen deze kans aan om alsnog
schoon schip te maken. Wat beide zienswijzen gemeen hebben is het hoge
gehalte aan morele verontwaardiging, gericht op - hoe Nederlands - elkaar.
Waar de eerste groep de ander beschuldigt van een domineesmentaliteit,
compleet met opgeheven vingertje, wijst de tweede groep op de verfoeilijke
koopmansmentaliteit van de eerste.
De Argentijnse journalist Mariano Slutzky woont ruim
twintig jaar in Nederland. Hij ontvluchtte zijn land toen zijn vader in
Argentinië gearresteerd werd. Volgens Slutzky is de kwestie Máxima een
Nederlandse aangelegenheid die Nederland ook zelf moet oplossen. Van een
domineesmentaliteit merkt hij niets. "Was die er maar, dan zouden er
minder domme dingen gezegd worden." Dom is in zijn ogen het gezeur over
de wandaden in het verleden van Nederland, waardoor we ons niet gerechtigd
voelen een ander op fouten te wijzen. Slutzky: "Tot hoever moet je dan
teruggaan? Ik geloof ook niets van die zogenaamde zelfbeschuldigingen. Het
is gewoon gemakzucht. Je hoeft dan immers niets te doen. Het is waar dat
Nederland tijdens de junta uitstekende betrekkingen onderhield met
Argentinië. Nederland heeft ook zelf geen fraaie rol gespeeld in
Indonesië. Maar is dat een reden om er eeuwig het zwijgen toe te
doen?"
Dan zijn er Nederlanders die erop wijzen dat in
Argentinië niemand wakker ligt van een huwelijk van Máxima en dat haar
vader een onbekend persoon is. Moet Nederland zich er dan mee bemoeien?
Slutzky stelt hier tegenover dat in Argentinië wel degelijk aandacht is
voor de burgerleden van de voormalige militaire dictatuur. "De
organisatie Hijos, kinderen van slachtoffers van de junta, organiseert
regelmatig manifestaties voor de huisdeur van deze mensen. Het is logisch
dat ze zich het eerst richt op de kopstukken van het regime, zoals de
minister van Economische Zaken Martínez de Hoz. Zorreguieta viel trouwens
onder diens departement. Het wil dus niet zeggen dat mensen als Zorreguieta
minder erg zouden zijn. Zij zijn net zo verantwoordelijk en dat weten
Argentijnen. De strijd tegen straffeloosheid is daar wel degelijk aan de
orde. Onlangs heeft een Argentijnse rechter de twee amnestiewetten toch
ongeldig verklaard?"
Geen rechtsmacht
Een volgende reactie op het voorgenomen huwelijk komt van
Maarten Mourik, ex-ambassadeur bij de Verenigde Naties. Hij heeft, samen met
de advocaten Britta Böhler en Liesbeth Zegveld, een aangifte ingediend
tegen Zorreguieta op basis van folteringen en misdrijven tegen de
menselijkheid. Zorreguieta was immers als civiel leidinggevende
verantwoordelijk voor de misdaden van de junta; eerst als staatssecretaris
en vanaf 1979 als minister van Landbouw. Inmiddels is de aangifte door het
Openbaar Ministerie afgewezen op grond van de ‘afwezigheid van rechtsmacht
in Nederland.’
Liesbeth Zegveld zegt verbaasd te staan over de afwijzing.
"Juridisch gezien hadden we deze afwijzing niet verwacht, politiek
gezien wel. De aangifte vindt steun in het internationaal recht. Het OM
meent echter ten onrechte dat dit niet toegepast kan worden, omdat het nog
niet omgezet zou zijn in nationaal recht." Hoewel Nederland de mond vol
heeft over de waarde van het internationaal recht en de wenselijkheid
misdrijven tegen de menselijkheid te bestraffen, loopt ons land wat betreft
ratificering van verdragen niet voorop. Sinds 1989 heeft Nederland een VN
folterverdrag geratificeerd, wat betekent dat hiermee de norm is omgezet in
nationaal recht. Met misdrijven tegen de menselijkheid is dit nog niet het
geval. Daarop beroept Justitie zich wanneer ze stelt dat Nederland in dit
geval geen rechtsmacht heeft. Ook wat betreft de aangifte van foltering
hanteert het OM dit standpunt, omdat de misdaden hebben plaatsgevonden
vóór 1989.
Zegveld: "Het is onzinnig om in dit geval vast te
houden aan het nationale legaliteitsbeginsel. Dit dient ter bescherming van
de verdachte, namelijk dat hij de nationale wet kent. Maar het is een fictie
dat Zorreguieta het Nederlandse recht zou kennen. Bij internationaal recht
dient dit beginsel geen enkel doel". Bij de aangifte tegen Bouterse
speelt hetzelfde probleem. Ook daar wees het OM de aangifte af, waarna de
advocaten de zaak aanhangig hebben gemaakt bij het Gerechtshof in Amsterdam.
Het Hof gaf de openbare aanklager opdracht tot vervolging over te gaan,
waarna die bij de Hoge Raad in beroep is gegaan. Böhler en Zegveld zijn van
plan nu dezelfde weg te behandelen en hebben beklag ingediend bij het
Gerechtshof te Amsterdam. Zegveld: "Ik verwacht dat ze met een
uitspraak zullen wachten tot het besluit van de Hoge Raad in de zaak
Bouterse. En die sleept al zo lang, omdat de kwestie Zorreguieta politiek zo
gevoelig ligt. Het zal de Hoge Raad niet makkelijk vallen om een middenweg
te vinden tussen zulke ernstige internationale misdrijven en andere
politieke loyaliteiten."
Waarmee Zegveld zorgvuldig formuleert dat de zaak Bouterse
een speelbal is in de veel politieker geladen zaak Zorreguieta. Het is
publiek geheim dat het College van Procureursgeneraal wekelijks contact
heeft met Beatrix. Het vermoeden rijst dan ook dat de afwijzing van het OM
van de aangifte tegen Zorreguieta ingefluisterd is door de minister van
Justitie, die uiteindelijk de baas is van het Openbaar Ministerie.
Böhler en Zegveld gaan onverdroten door. Voor hen is het
geen kwestie van politieagent van de wereld spelen, maar een zaak van
elementair recht. Zegveld: "We zijn niet bezig met exotische zaken,
maar met de grondbeginselen van het strafrecht. Het internationale
strafrecht is niet meer dan een aftreksel van basisnormen die ieder land
heeft geaccepteerd. Dat mensen op leidinggevende niveaus moeten worden
bestraft voor ernstige misdrijven is zo’n norm. Dat is geen kwestie van
kiezen. Iemand als Zorreguieta, die zo lang een hoge positie heeft bekleed
in een dictatuur en niets heeft ondernomen tegen de misdrijven, is
verantwoordelijk. En het is te gek dat al sinds de processen in Neurenberg
dit soort misdrijven strafbaar zijn en dat Nederland nu niet tot vervolging
zou overgaan. Het betekent dat iedere pleger van misdrijven tegen de
menselijkheid hier kan komen binnenwandelen, al is het misdrijf gisteren
gepleegd."
Wat als de aangifte tegen Zorreguieta tenslotte wordt
afgewezen? Zegveld: "Dat zou erg zijn, maar we gaan evengoed door met
aangifte doen van dergelijke misdaden. Dat heeft ook een preventieve werking
en langzaam zal de situatie veranderen. Ik heb me niet voor niets altijd
bezig gehouden met mensenrechten, dat geef ik niet op."
II. Angst en oproerpolitie
vóór de junta
In het mediageweld dreigen we door de bomen het bos niet
meer te zien. Hoe zat dat nu met de junta in Argentinië? Werd die met
gejuich begroet?
Verschillende ‘deskundigen’, waaronder
correspondenten, hebben er artikelen in de kranten aan gewijd. Met name
Ineke Holtwijk heeft in de Volkskrant van zich doen spreken. Zo stelt zij
dat de Argentijnen destijds de staatsgreep, waarmee de junta aan de macht
kwam, massaal verwelkomden. Jan van der Putten, in die jaren correspondent
in Buenos Aires, is iets genuanceerder, wanneer hij schrijft dat de
Argentijnen niet massaal in het geweer kwamen. De mensen dachten dat het
toch niet erger kon worden dan het al was. Hoe erg het al was, daarover
mocht hij indertijd in NRC-Handelsblad niet meer schrijven, omdat de krant
zijn linkse jargon beu was. Hij vond onderdak bij de Volkskrant.
Mariano Slutzky bestrijdt de visie van Holtwijk.
"Onzin dat Argentijnen blij waren met de coup. De mensen wilden gewoon
met rust gelaten worden, zoals overal ter wereld. Dat de junta een eind
maakte aan het geweld van de guerrilla is niet waar. Die was al een jaar
eerder uitgeschakeld, zoals de beruchte Montoneros, de Peronistische
guerrillagroepering. Het waren de economische en politieke elite en de
bovenlaag van de middenklasse die achter de junta stonden. Die hadden er
profijt bij."
Dat het geweld tegen alles en iedereen die ‘links’ was
al lang aan de gang was, bevestigt Coen Stork. Hij was van juni 1973 tot
juni 1975 eerste secretaris op de Nederlandse ambassade in Argentinië.
Stork: "Ook al heb ik geen geweld meegemaakt, er hing een angstwekkende
sfeer. Er waren grote demonstraties op het Plaza de Mayo, die omgeven werden
door een dikke haag oproerpolitie. Isabel Perón, de weduwe van president
Perón, werd geheel overheerst door López Rega, over wie geruchten gingen
dat hij achter de Triple A zat, de extreemrechtse groep die verantwoordelijk
was voor het geweld tegen links. Op de ambassade werden bezoeken aan
demonstraties niet op prijs gesteld. De oppositie werd gezien als een groep
terroristen en communisten. Zeker één lid van de ambassade was de mening
toegedaan dat ‘deze personen snel een kopje kleiner moesten worden
gemaakt.’ Je kunt niet zeggen dat hij niet geëngageerd was, alleen met de
verkeerde, verwerpelijke kant."
Stork had al in Zuid-Afrika gewerkt en in het Spanje van
Franco. Toch was Argentinië lastig. "In geen ander land heb ik het zo
moeilijk gevonden te bepalen wie goed en wie fout was. Het is wel iets wat
ik altijd probeer uit te vinden als ik in een land begin: wie zijn volgens
mijn ervaring goed of slecht? In Argentinië was er zo’n verziekte
situatie. Perón, Rega en hun politie vond ik enge, fascistische mensen.
Maar beide kanten gebruikten dezelfde intens gemene methodes: kidnappingen,
moorden, afpersing. Het was zeer onoverzichtelijk. Waar ik op afging waren
mensen die mij goed leken, zoals de correspondent Jan van der Putten en zijn
vrouw Fleur Bourgonje. Zij hadden Chili na de val van Allende moeten
ontvluchten. Via hen leerde ik andere mensen kennen, jonge Argentijnen,
journalisten van La Opinión, de enige krant die, naast de Buenos Aires
Herald, min of meer de waarheid vertelde."
Reactionaire club
Stork beschrijft hoe het sowieso lastig leven was in
Argentinië, waar je misschien sociaal gezien met mensen op kon schieten,
maar met wie je politiek hemelsbreed verschilde. "Argentinië is
eigenlijk zo’n weerzinwekkende maatschappij en tegelijk ook heel
aantrekkelijk en mooi. De landeigenaren, toch het establishment, leven
volstrekt geïsoleerd, ze lezen geen kranten. Ze zijn onkundig en
onverschillig over wat er in het land leeft. Ze hebben die onaangename
eigenschap van trots zijn op hun blanke ras en op hun Europese wortels. Met
heel Zuid-Amerika willen ze niets te maken hebben, dat is een enge en
chaotische wereld. Ik was een keer meegenomen naar een estancia. Prachtige
natuur, schitterend huis, polopaarden. Ze waren blij dat er bij hen geen
negrito’s, zwartjes uit Bolivia, waren. Zo politiek mis."
En dan had hij te maken met de Nederlandse
zakengemeenschap in Buenos Aires, in zijn woorden een "uiterst
reactionaire club, zoals vaak in dergelijke gepolariseerde
maatschappijen." De ambassade en de Nederlandse regering dienden vooral
de belangen van deze groep en van de economische betrekkingen met
Argentinië.
Al ging de ambassade verder in haar reactionaire beleid
dan Den Haag. Stork: "Ook al had ik geen politieke baan, ik kreeg wel
het codeverkeer met Nederland te zien, tenzij het zeer geheim was. Zo kwam
er een opdracht uit Den Haag om 115 Chileense politieke vluchtelingen te
selecteren voor politiek asiel in Nederland. De ambassade moest vaststellen
dat het om politieke vluchtelingen ging en niet om gewone criminelen. De
opdracht werd belachelijk gevonden, want ‘we moeten ons land beschermen
tegen dit soort rapaille.’ Ik had de indruk dat de instructie uit Den Haag
niet loyaal werd uitgevoerd. De ambassade gaf prioriteit aan het bouwen van
een hoger hek rond de ambtswoning - dan konden er geen vluchtelingen komen -
boven het uitvoeren van de opdracht. Er kwam tenslotte een afgezant uit Den
Haag om polshoogte te nemen. Die heb ik meegenomen naar mensen die ik
kende."
Dat er gevaar dreigde voor linkse Argentijnen en voor
gevluchte Chilenen was duidelijk. Zo verscheen op een dag een journalist van
La Opinión op de ambassade die naar Stork vroeg, omdat ze elkaar kenden.
Als reden van zijn bezoek gaf hij op te willen praten over de polders in
Nederland. Stork: "Hij zei meteen dat dit slechts een voorwendsel was.
Het ging hem om onderduikers in zijn huis, die het land uit moesten. Hij
wilde weten wat de mogelijkheden in Nederland waren. Nou, die waren er
nauwelijks, want je moest kunnen bewijzen dat je echt gevaar liep. Het was
trouwens de laatste keer dat ik die journalist heb gezien. Vrij kort na de
coup is hij verdwenen en er is niets meer van hem vernomen."
III. De straffeloosheid
voorbij
Tijdens de jaren van de junta waren in Argentinië diverse
organisaties op het terrein van de mensenrechten actief. Veel steun uit het
buitenland kregen zij niet. Mariano Slutzky: "Niet alleen de
Nederlandse regering gaf geen steun, ook medefinancierings- en
non-gouvernementele organisaties bleven zwaar in gebreke. Ze gingen er
vanuit dat Argentinië een rijk land was, dat het zelf maar moest redden.
Alsof mensenrechtengroepen over geld beschikten. Landen als Spanje en
Duitsland gaven wel financiële steun."
Toen de junta uiteindelijk in 1986 de macht overdroeg aan
een burgerregering onder president Alfonsín, begonnen de eerste processen
tegen hoge generaals. Videla en Massera waren de eersten in de
beklaagdenbank en kregen levenslang. Onder president Menem werden twee jaar
later echter de amnestiewetten van kracht, doorgedrukt door de militairen.
De Punto Final en de Obediencia Debida ( zie kader) maakten een einde aan
het vervolgen van militairen en burgerleden van de junta. Slechts twee
misdaden vallen buiten de amnestie: kinderroof en ontvreemding. Precies op
beschuldiging van deze twee punten is nu onder meer Videla onder huisarrest.
Onlangs heeft de Argentijnse rechter Gabriel Cavallo de
amnestiewetten in strijd verklaard met de grondwet en dus ongeldig. Het
Hooggerechtshof, dat voornamelijk uit conservatieve leden bestaat, moet zich
er nog over buigen.
Internationaal
De strijd tegen de straffeloosheid woedt niet alleen in
Argentinië. In het buurland Chili doen rechters verwoede pogingen Pinochet
voor het gerecht te dagen. De Guatemalteekse Nobelprijswinnares voor de
Vrede Rigoberta Menchú heeft in Spanje aanklachten ingediend tegen de
verantwoordelijken van de burgeroorlog. In Brussel dient een aanklacht tegen
de moordenaars van twee priester van de orde van Scheut, die in de jaren
tachtig in Guatemala zijn vermoord. In Nederland loopt de aanklacht tegen
Bouterse, die verantwoordelijk wordt gehouden voor de decembermoorden in
Suriname. Mexico heeft besloten een Argentijnse folteraar, Miguel Cavallo,
uit te leveren aan Spanje.
Binnen de verdere internationalisering van de rechtspraak
speelt Nederland een grote rol. Het Internationaal Strafhof zal gevestigd
worden in ons land. De regering laat zich voorstaan op het grote belang dat
zij hecht aan het handhaven van de mensenrechten en op de berechting van
schenders ervan. In deze context zou het niet passend zijn een lid van de
Argentijnse junta als familielid van het koningshuis te accepteren. In
plaats daarvan zou de regering zich hard moeten maken om mensen als
Zorreguieta aangeklaagd te krijgen. Liesbeth Zegveld: "Het is logisch
dat ze in Argentinië beginnen met de militairen. De zaken liggen daar
maatschappelijk veel complexer. Dat betekent niet dat Zorreguieta daar niet
strafbaar zou zijn. In Nederland ligt de zaak daarentegen niet
gecompliceerd. Hier is men het eens met de normen van internationaal
strafrecht. Dus moet Nederland een andere politieke beslissing nemen. Nu
wordt de weg van de minste weerstand gevolgd."
Overigens is het vermijden van een aanklacht wel typisch
Nederlands. De regering is bang zich te branden, wanneer het een rechtszaak
zou verliezen. Bovendien spelen economische belangen en een goede verhouding
met andere landen een grote rol. Zegveld, die een lange staat van dienst
heeft in de mensenrechtenbeweging, vertelt hoe moeilijk het altijd was om
mensenrechten op de agenda te krijgen van handelsmissies. "In het beste
geval wilde men er vijf minuten voor uittrekken. Nederlanders zijn niet zo
principieel. We waaien met alle winden mee."