info noticiashome
WTO terug naar WTO
Door Bertram Zagema ( Lemniscaat)


Casino Mexico: Winaars en verliezers van de globalisering
Hoofdstuk 15: ‘Staatsbedrijven zijn ongeneeslijk ziek’ Mexico-Stad

‘Als wij te openlijk betrokken zijn bij de hervormingsvoorstellen van de regering, dan kan zich dat vertalen in een duivelskus voor die voorstellen,’ zegt Joost Draaisma van de Wereldbank. ‘Dan worden ze algauw controversieel. Dus spreken we ons meestal niet openlijk uit over de voorstellen van de regering. Maar in het geval van de elektriciteitssector ligt er wel al een lening klaar voor als de sector wordt hervormd. Dat wil zeggen, als het bedrijfsleven een grotere rol krijgt.’
De Wereldbank is één van de weinige opinieleiders die zich rustig houden in de discussie over de elektriciteitssector in Mexico. De werkgeversvoormannen laten geen spreekbeurt voorbijgaan zonder te hameren op de noodzaak van ‘hervorming’, ‘modernisering’ of ‘privatisering’, en ze krijgen steun van hun collega’s van multinationale bedrijven. De internationale ratingbureaus die de concurrentiekracht van ‘investeringsland’ Mexico beoordelen pleiten daarvoor, evenals de econoom en kersverse Nobelprijswinnaar Vernon Smith. ‘De Mexicaanse industrie behoort toe aan het Mexicaanse volk,’ zegt Smith tegen een gehoor van studenten, en hij bedoelt daarmee: het volk als verzameling individuele aandeelhouders. Hij stelt voor om de elektriciteitsbedrijven CFE en LFC (*1) in tal van kleine bedrijfjes te splitsen en die met elkaar te laten concurreren. De aandelen zouden op de beurs moeten worden gebracht.(*2)
De tegenstanders van privatisering krijgen steun van de vorige Nobelprijswinnaar, Joseph Stiglitz, die in de krant zegt dat de regering in strategische sectoren niet al haar kaarten op de private sector moet zetten. ‘Ik geloof dat de fixatie van de Mexicaanse regering op de privatisering een vergissing is. Ze kunnen goed uitpakken of slecht, maar ze zijn zeker niet de sleutel tot groei.’ (*3)
Arturo Lomelí Escalante, voorzitter van het kleine Mexicaanse broertje van de Consumentenbond, is huiverig voor privatisering: ‘We willen niet dogmatisch voor of tegen privatisering zijn, maar de discussie baart ons wel zorgen, gezien de ervaringen met de telefonie.’
Toen het telefoonbedrijf Telmex geprivatiseerd werd, werden ook lagere tarieven beloofd. Maar in werkelijkheid namen de kosten van telefonie met honderden procenten toe, volgens Lomelí. Telmex, waarvan Carlos Slim grootaandeelhouder is, heeft nog steeds een monopolie en rekent hogere prijzen dan de bedrijven in de VS. Telmex levert bovendien een slechte service en bedriegt volgens Lomelí zijn klanten door hogere telefoonkosten in rekening te brengen dan wat zijn klanten werkelijk gebeld hebben. Het regent daardoor klachten bij de consumentenbeschermingsdienst van de regering, de Profeco. Zo’n zeventig procent van de klachten van consumenten bij de Profeco gaat over Telmex, jaar in jaar uit.
‘Maar het wordt doodgezwegen omdat het bedrijf zo machtig is,’ volgens Lomelí. ‘De kranten schrijven er niet over, omdat ze allemaal afhankelijk zijn van de advertentie-inkomsten van Telmex. Hetzelfde geldt voor de televisie. En het geldt ook voor Profeco. In het begin hebben ze ons ondersteund, maar op een dag sloeg dat om. Toen hebben ze kennelijk van hogerhand een seintje gekregen dat ze Telmex met rust moesten laten. Wij willen in de elektriciteitssector geen tweede Telmex,’ aldus Lomelí.
‘Er is helemaal geen voorstel om de elektriciteit te privatiseren,’ zegt een woordvoerder van het ministerie van Energie door de telefoon. Hij klinkt boos. Ik heb het verkeerde woord in de mond genomen. ‘Dat heeft nog nooit iemand van deze regering voorgesteld, en dat is de regering ook niet van plan voor te stellen. Ideologische gemotiveerde tegenstanders gebruiken het woord privatisering om ons moderniseringsplan in een kwaad daglicht te stellen. Maar de CFE en de LFC willen we niet verkopen. Het voorstel is om privé-initiatief toe te laten in de elektriciteitssector, als aanvulling op de bestaande overheidsbedrijven. Dat is overigens niets nieuws: het gebeurt al tien jaar. Het voorstel gaat slechts over uitbreiding van die mogelijkheid.’ Hij nodigt me uit om langs te komen om het voorstel op te halen.
Als ik een dag later op zijn kantoor verschijn, is zijn boosheid wat bekoeld, maar zijn afstandelijkheid niet afgenomen. Ons gesprek is kort en afgemeten.
‘Wat is de reden om private bedrijven elektriciteit te laten produceren? Zijn de overheidsbedrijven niet goed genoeg?’ vraag ik.
‘De CFE en de LFC zijn inefficiënt en hebben geen geld om te investeren,’ zegt hij. ‘In het voorstel staat dat uitgebreid toegelicht.’
In het regeringsvoorstel(*4) staat veel, maar niet dat de CFE en de LFC inefficiënt zijn. Er wordt gesteld dat de investeringen in uitbreiding van de elektriciteitsproductie niet kunnen worden opgebracht door de overheid, omdat de vraag sneller groeit dan het nationaal inkomen -- waarvan de overheidsinkomsten een afgeleide zijn. Er is een grote behoefte aan uitbreiding, en de manier om het financieringsgat te dichten is door het bedrijfsleven daartoe uit te nodigen. Bedrijven kunnen al in beperkte mate elektriciteit produceren voor zichzelf en een deel verkopen aan de CFE. Er wordt nu voorgesteld om die mogelijkheid uit te breiden en om marktwerking in te voeren -- niet om de staatsbedrijven CFE en LFC te privatiseren.
Dit is een soort discussie dat in veel ontwikkelingslanden speelt. De Wereldbank adviseert veel ontwikkelingslanden om collectieve diensten zoals elektriciteit, drinkwater, onderwijs en zelfs gezondheidszorg te privatiseren, en stelt leningen beschikbaar aan landen die dat doen. Voor de armste landen -- met name in Afrika -- worden dergelijke privatiseringen zelfs als voorwaarde gesteld voor de goedkeuring van algemene leningen in het kader van de Poverty Reduction Strategy van die landen. Maatschappelijke organisaties in zowel die ontwikkelingslanden als de noordelijke industrielanden -- die de belangrijkste aandeelhouders van de Wereldbank zijn -- zijn zeer kritisch over dit Wereldbankbeleid. Privatiseringen hebben meer dan eens geleid tot flinke kostenstijgingen voor de consument, waardoor deze uiterst belangrijke diensten soms niet meer betaalbaar waren voor groepen consumenten.
Ook in een rijk land als de Verenigde Staten bleek de invoering van marktwerking in deze sector tot grote problemen te kunnen leiden. In grote delen van Californië leidde het in 2000 tot acute stroomtekorten. Toen ik een jaar later voor een reportage met verschillende Amerikaanse deskundigen sprak over deze kwestie, ontmoette ik veel scepsis over de wenselijkheid van marktwerking in de elektriciteitssector. De stroomproducenten in Californië hadden als een kartel opgetreden. Ze hadden de markt bewust gemanipuleerd door tegelijkertijd meerdere centrales uit te zetten voor onderhoudsbeurten. Daardoor was er een schaarste ontstaan en waren de prijzen gestegen. Uiteindelijk ontstond er domweg een tekort aan elektriciteit. In verscheidene steden ging het licht uit en kregen ziekenhuizen, koelcellen en andere elektriciteitsafhankelijke instellingen het moeilijk.
De stad Los Angeles onttrok zich aan de Californische crisis doordat de elektriciteitsproductie en –leverantie er in handen is van een coöperatie, waarvan alle gebruikers lid zijn. De coöperatie heeft haar eigen centrales en staat daarmee buiten de woelige markt. De prijzen bleven er laag, het licht ging niet uit. Los Angeles heeft bewezen dat de sector heel goed zonder marktwerking kan. De meerderheid van de Amerikaanse huishoudens ontvangt nog steeds elektriciteit van strikt gereguleerde elektriciteitsproducenten, zonder enige marktwerking. Ze krijgen het van overheidsbedrijven, van private bedrijven met strikte prestatiecontracten of van coöperaties zoals in Los Angeles.
Maar de Wereldbank vindt het geen goede optie voor ontwikkelingslanden. ‘Staatsbedrijven zijn ongeneeslijk ziek,’ zegt Alan Townsend, die op het hoofdkantoor van de Wereldbank in Washington DC verantwoordelijk is voor de ‘ontwikkeling van de private sector’ op het gebied van water en elektriciteit. ‘Ze zijn inefficiënt, vaak corrupt en gevoelig voor politieke interventie -- bijvoorbeeld voor het berekenen van lage elektriciteitsprijzen aan de armen, waardoor ze geld onttrekken aan bedrijven die dat nodig hebben om gezond te blijven.’
Het blijkt een rotsvaste overtuiging die geldt voor alle staatsbedrijven in de sector, in alle ontwikkelingslanden. Ook in het coöperatieve model van Los Angeles ziet Townsend niets. De private sector is de enige die op een efficiënte manier stroom zou kunnen produceren.
Eenzelfde sterke overtuiging kom ik tegen in het vuistdikke adviesboek dat de Wereldbankstaf in Mexico heeft geschreven voor de nieuwe president Fox, een maand na diens beëdiging. De Wereldbank mag zich dan rustig houden over de concrete voorstellen van de Mexicaanse regering, ze heeft wel een heldere opvatting. De enige manier om de sector uit te breiden, is volgens de Wereldbank door ‘het aantrekken van nieuwe deelnemers in de markt, die een substantiële kapitaalinjectie aan de sector kunnen geven, zonder direct of indirect op de publieke middelen te drukken’. (*5)
Maar net als de regering laat ook de Wereldbank na om die stelling te onderbouwen. De reden kan niet zijn dat de Mexicaanse overheid geen toegang heeft tot de kapitaalmarkt, want de overheidsfinanciën zijn behoorlijk gezond. De overheid kan daardoor tegen een lage rente geld lenen, zeker voor zoiets risicoloos als de elektriciteitsproductie in een groeiende markt. Waarom zou de regering dat dan overlaten aan private bedrijven, voor wie het altijd duurder is om geld te lenen?
Het gaat de Wereldbank er niet om dat de CFE en de LFC inefficiënt of ineffectief zouden zijn: geen woord daarover. Net als de regering laat de Wereldbank in het midden of de bedrijven goed of slecht functioneren.
Daar staat tegenover dat een andere prestigieuze internationale instelling, de Economische Commissie voor Latijns-Amerika van de Verenigde Naties, een enthousiaste recensie heeft geschreven over de Mexicaanse elektriciteitssector. Volgens de VN-Commissie voldoet deze sector vrijwel aan de Noord-Amerikaanse en West-Europese normen. Dat de elektriciteitssector eind jaren negentig in het slop is geraakt, wijt de VN-Commissie aan het feit dat er vanaf 1996 niet meer werd geïnvesteerd, ‘als inleiding op het overdragen van de sector aan het bedrijfsleven’.(*6)
Sergio Benito Osorio, adviseur van de senaatsfractie van de linkse Partij van de Democratische Revolutie (Partido de la Revolución Democrática, PRD) en zelf ex-parlementariër, ziet geen noodzaak om private investeerders aan te trekken. ‘De CFE heeft een investeringsbehoefte van ongeveer tweeënhalf miljard dollar per jaar bij een omzet van elf à twaalf miljard. Dat is in deze kapitaalsintensieve sector niet raar; dat moeten ze gemakkelijk op kunnen brengen. Het probleem is dat de overheidsbedrijven kort worden gehouden door het ministerie van Financiën. Dat houdt investeringen tegen. Toch is er nog geen acute dreiging van elektriciteitstekorten. Ook dat wordt sterk overdreven.’
Osorio is het oneens met de klacht dat de overheidsbedrijven inefficiënt zijn. ‘Ik zeg niet dat we de beste bedrijven ter wereld hebben, maar we passen wel binnen de wereldnorm. Stroomuitval komt bijna niet voor. Mensen die klagen over de subsidies die naar de sector gaan, moeten beter naar de cijfers kijken. Netto gaat er geen geld naar de elektriciteitsbedrijven toe. De subsidies die consumenten krijgen komen in feite van de CFE en de LFC zelf, niet van de overheid.’
Ik vertel over de protesten van de consumenten in Chihuahua tegen de hoge elektriciteitsprijzen, ondanks de subsidies.
‘Ik ken de specifieke situatie in Chihuahua niet, maar ik weet wel dat er bijna overal protesten zijn tegen de elektriciteitsprijzen. Vaak vind ik dat onterecht. Als mensen met hun consumptie boven het gesubsidieerde deel uitkomen en dus een hoge rekening krijgen, dan hebben die mensen een elektriciteitsconsumptie boven hun koopkracht. Ze hebben eigenlijk geen inkomen om bijvoorbeeld een airconditioning te kunnen betalen. Het ligt niet aan de CFE en de LFC. Als private bedrijven het zouden doen, zouden de prijzen zeker omhoog gaan. Dat kan niet anders.’
Osorio stelt voor om de overheidsbedrijven meer financiële autonomie te geven en het management te professionaliseren. De rechten van de klanten moeten in de wet worden vastgelegd en de verplichtingen van de bedrijven aan de overheid in een prestatiecontract.
In het Congres tekent zich een meerderheid af voor deze benadering, gesteund door de PRD en de PRI, en tegen het voorstel van de president om meer privé-initiatief toe te laten in de elektriciteitssector. De Wereldbank houdt zich stil.


(*1) De LFC, Luz y Fuerza del Centro (Licht en Kracht van het Midden), levert elektriciteit aan Mexico-Stad en een deel van de omliggende provincies. De CFE, Comisión Federal de Electricidad (Federale Electriciteitscommissie), verzorgt de rest van het land.
(*2)Reforma, 25 oktober 2002.
(*3)La Jornada, 23 augustus 2002.
(*4)Secretaría de Energía, Propuesta de modernización del sector eléctrico. Zonder datum (gepubliceerd in 2002).
(*5) Jonathan Halpern, ‘Energy’, in: Marcelo M. Giugale, Olivier Lafourcade en Vinh H. Nguyen (red.), Mexico: A Comprehensive Development Agenda for The New Era. World Bank, Washington DC, 2001, p. 374.
(*6) Comisión Económica para América Latina y el Caribe, Retos y posibles soluciones para el sector energético Mexicano, México DF, 20 december 2001, p. 23.