MENSENRECHTEN:
Zorreguieta vs.Mensenrechten
Beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten
Deze documenten kunnen alleen met toestemming
gepublicieerd worden
BEKLAG OVER HET NIET
VERVOLGEN VAN STRAFBARE FEITEN (ex art. 12 Sv)
Aan het Gerechtshof
te Amsterdam
Geven eerbiedig te kennen: De
heer xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klager 1,
Mevrouw xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klaagster 2,
De heer xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klager 3,
Mevrouw xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klaagster 4,
Mevrouw xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klaagster 5,
Mevrouw xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klaagster 6,
De heer xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klager 7,
Mevrouw xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klaagster 8,
De heer xxxxxxx, wonende te xxxxxxx, hierna: klager 9,
hierna gezamenlijk: “Klagers”, allen voor
deze aangelegenheid woonplaats kiezende te
Amsterdam aan de Keizersgracht 560-562 (1017 EM), op het kantoor van hun
raadsvrouwen dr. B. Böhler en dr. L. Zegveld, die door hen bepaaldelijk
zijn
gemachtigd om dit klaagschrift te ondertekenen en in te dienen. Klagers
hebben
hiervoor schriftelijke volmachten getekend. De machtiging van klaagster 2 is
aangehecht als bijlage 1. Wat de overige klagers betreft worden de
machtigingen zo
spoedig mogelijk nagestuurd.
1. Klager 1 heeft op 12 januari 2001 aangifte gedaan bij het College
van
procureurs-generaal tegen Jorge Zorreguieta en andere leden van de
Argentijnse
Regering van 1976 tot 1983 (bijlage 2). Deze
aangifte maakt onderdeel uit van dit
klaagschrift en wordt hier uitdrukkelijk als integraal herhaald en ingelast
beschouwd.
Klagers 2 tot en met 9 sluiten zich aan bij deze aangifte. Het College van
procureurs-
generaal heeft de aangifte op 22 januari 2001 ter afhandeling overgedragen
aan de
hoofdofficier van justitie te Amsterdam, mr. L.A.M.J. de Wit. De
hoofdofficier van
justitie heeft mr. A.C. Maan aangewezen als zaaksofficier van justitie.
2. Op 21 maart 2001 heeft de hoofdofficier van justitie aan klager 1
bericht dat hij
geen vervolging zal instellen ter zake van de in de aangifte genoemde feiten
(bijlage 3)
omdat naar zijn oordeel het Openbaar Ministerie in Nederland 'nimmer
strafrechtelijke
rechtsmacht heeft gehad wegens het ontbreken van toereikende jurisdictie als
bedoeld
in de artikelen 2 tot en met 7 van het Sr' (zie bijlage 3, p. 1).
3. De conclusie van de hoofdofficier van justitie berust op twee
stellingen. Ten
eerste stelt de hoofdofficier van justitie dat een strafbaarstelling van de
in de aangifte
genoemde personen in Nederland voor het delict foltering niet mogelijk is nu
dit delict
in de periode van 1976 tot 1983 nog niet in de nationale Nederlandse
wetgeving was
getransformeerd (zie bijlage 3, par. 1.2 tot 1.4). Ten tweede wordt gesteld
dat Nederland
geen rechtsmacht heeft voor de vervolging van de in de aangifte genoemde
personen
omdat in de relevante periode met betrekking tot foltering nog geen
transformatie van
internationaal-rechtelijke jurisdictiebepalingen in de Nederlandse wetgeving
had plaats
gevonden (zie bijlage 3, par. 1.5.1 tot 1.6). Deze twee stellingen gelden
volgens de
hoofdofficier van justitie eveneens voor het delict misdrijven tegen de
menselijkheid
(zie bijlage 3, par. 2.1 en 2.2).
4. Klagers kunnen zich met de beslissing van de hoofdofficier van
justitie niet
verenigen. De hierboven genoemde stellingen van de hoofdofficier van
justitie en zijn
daarop gebaseerde conclusie zijn onjuist. Hieronder wordt éérst
uiteengezet dat klagers
belanghebbenden zijn in de zin van artikel 12 Sv. Daarna wordt ingegaan op
de vraag
naar de materiële strafbaarstelling van de delicten foltering en misdrijven
tegen de
menselijkheid in Nederland in de periode van 1976 tot 1983. Ten slotte komt
de kwestie
van de rechtsmacht van Nederland aan de orde. Voor zover mogelijk worden de
vragen
betreffende de strafbaarstelling in en de rechtsmacht van Nederland ten
aanzien van de
twee delicten - foltering en misdrijven tegen de menselijkheid - gezamenlijk
behandeld.
5. Het klaagschrift beperkt zich tot de in de beslissing van de
hoofdofficier van
justitie van 21 maart 2001 aangehaalde rechtsvragen ten aanzien van de
strafbaarstelling
in en de rechtsmacht van Nederland met betrekking tot foltering en
misdrijven tegen de
menselijkheid gepleegd in Argentinië in de periode van 1976 tot 1983.
Indien Uw
Gerechtshof (mede) andere dan de door de hoofdofficier van justitie
opgeworpen
rechtsvragen in het geding acht, verzoeken klagers door Uw Gerechtshof in de
gelegenheid te worden gesteld tot een nadere toelichting.
6. Klagers sluiten bij het Advies van de Amsterdam International Law
Clinic van
22 maart 2001, getiteld Directe Toepassing van Bepalingen van Internationaal
Recht in
het Nederlandse Strafrecht (hierna: het Advies, bijlage 4), dat in de zaak
tegen D.D.
Bouterse onder andere op verzoek van de raadsvrouwen van klagers is
geschreven. Het
Advies gaat in op het verzoek van het College van procureurs-generaal tot
voordracht
en vordering tot cassatie in het belang der wet van 14 februari 2001 gedaan
naar
aanleiding van de beschikking van Uw Gerechtshof in de zaak Bouterse van 20
november 2000. Nu dit verzoek en de brief van de hoofdofficier van justitie
van 21
maart 2001 (vrijwel) letterlijk overeenkomen, geldt het Advies onverkort ook
ten
aanzien van de beslissing tot niet-vervolging van de hoofdofficier van
justitie in de
onderhavige zaak. Omdat in het Advies wordt gerefereerd aan het verzoek van
het
College van procureurs-generaal wordt dit verzoek als bijlage 5 bij het
klaagschrift
gevoegd. Klagers verzoeken Uw Gerechtshof het Advies te beschouwen als een
aanvulling en toelichting op dit klaagschrift.
7. Voorts veronderstellen klagers dat Uw Gerechtshof ambtshalve
bekend is met de
opinie van prof. C.J.R. Dugard van 7 juli 2000 in de bovengenoemde
Bouterse-zaak.
Klagers verzoeken Uw Gerechtshof deze opinie eveneens als een aanvulling en
toelichting op dit klaagschrift te beschouwen.
Klagers als belanghebbenden
8. Klagers die allen in Nederland wonen, zijn door het achterwege blijven
van
strafvervolging in een belang getroffen dat hen bepaaldelijk aangaat en zijn
derhalve
belanghebbenden in de zin van artikel 12 lid 1 Sv.
klager 1
9. Klager 1 is aangever van de in de aangifte genoemde strafbare feiten.
Reeds
vanwege dit feit moet klager 1 aangemerkt worden als belanghebbende. Hierbij
dient
rekening te worden gehouden met het feit dat de in de aangifte genoemde
delicten
foltering en misdrijven tegen de menselijkheid het algemene belang dusdanig
raken dat
de kring van belanghebbenden niet mag worden beperkt tot (nabestaanden van)
slachtoffers. Ten slotte dient te worden vermeld dat klager 1 dit beklag ook
namens
klagers 2 tot en met 9 voert.
klagers 2 tot en met 9
10. Klagers 2 tot en met 9 zijn nabestaanden van slachtoffers van de in de
aangifte
genoemde misdrijven en als zodanig te beschouwen als belanghebbenden.
Klagers 2 tot
en met 9 zijn allen geboren in Argentinië en zijn als gevolg van de in de
aangifte
genoemde misdrijven tussen 1976 en 1978 naar Nederland gevlucht.
De vader van klagers 2 en 3, XXXXXXX, werd in juni 1977 door de
Argentijnse Regering ontvoerd en is sindsdien vermist. Waarschijnlijk werd
hij in La
Plata, in één van de geheime kampen van de Argentijnse regering, gevangen
gehouden
en is hij daar overleden.
XXXXXXX, geboren op 29 juli 1945, echtgenoot van klaagster 4, vader
van klagers 6 en 7 alsmede schoonzoon van klaagster 5, werd op 17 augustus
1977
door de Argentijnse Regering ontvoerd en was daarna vermist tot 1999. In
november
1999 werd zijn lichaam teruggevonden in een massagraf bij Buenos Aires.
XXXXXXX
werd op 19 september 2000 in Argentinië begraven.
XXXXXXX, geboren op 26 januari 1951, zwager van klaagster 4, oom van
klagers 6 en 7, werd op 18 augustus 1977 door de Argentijnse Regering
ontvoerd en is
sindsdien vermist. Hetzelfde geldt voor zijn echtgenote XXXXXXX,
schoonzuster
van klaagster 4 en tante van klagers 6 en 7. Zij werd in december 1977 of
januari 1978
ontvoerd en is sindsdien vermist.
XXXXXXX, geboren op 6 mei 1926, en XXXXXXX, ouders van
klaagster 8 alsmede haar grootmoeder, de toen vijfenzestigjarige XXXXXXX,
werden
op 20 mei 1977 door de Argentijnse Regering ontvoerd en zijn
sindsdien vermist. Op 22 mei 1977 werden ook XXXXXXX,
geboren 20 oktober 1952, zuster van klaagster 8 alsmede XXXXXXX, geboren
op 11 april 1944, zwager van klaagster 8 en XXXXXXX, schoonmoeder van
klaagster 8, ontvoerd; zij zijn sindsdien vermist.
De toenmalige partner van klager 9, XXXXXXX, werd op 22 september 1976
op twintigjarige leeftijd door de Argentijnse Regering ontvoerd en is
sindsdien vermist.
Hoewel de lijst met familieleden van klagers 2 tot en met 9 die slachtoffers
zijn
geworden van de in de aangifte genoemde strafbare feiten nog zou kunnen
worden
uitgebreid wordt in het kader van dit klaagschrift volstaan met de
bovengenoemde
gegevens. Uw Gerechtshof zal begrijpen dat in dit verband zoveel mogelijk
rekening
moet worden gehouden met de gevoelens van de desbetreffende klagers.
Strafbaarstelling in Nederland
11. De in de aangifte van 12 januari 2001 nader omschreven delicten
zijn te
kwalificeren als foltering en misdrijven tegen de menselijkheid. Deze
kwalificatie wordt
door de hoofdofficier van justitie niet betwist. Er wordt derhalve in het
kader van dit
klaagschrift met betrekking tot de kwalificatie van de in de aangifte
omschreven
delicten ervan uitgegaan dat in zoverre geen nadere toelichting nodig is.
Strafbaarstelling naar internationaal recht
12. De hoofdofficier van justitie betwist voorts niet dat foltering
en misdrijven tegen
de menselijkheid reeds in de periode van 1976-1983 strafbaar waren onder het
internationaal gewoonterecht en evenmin dat deze misdrijven onder dit recht
de
individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de dader(s) impliceerden.
De uit het
legaliteitsbeginsel voortvloeiende voorwaarde dat er een aan het plegen van
het
betreffende delict voorafgaand strafvoorschrift moet zijn, is derhalve in
ieder geval op
internationaal-rechtelijk niveau vervuld.
13. De internationale strafnormen ten aanzien van foltering en
misdrijven tegen de
menselijkheid voldoen aan de vereisten van duidelijkheid en concreetheid.
Het feit dat
deze normen van gewoonterechtelijke aard zijn, kan hieraan geen afbreuk
doen. In dit
verband moet worden opgemerkt dat ook de Nederlandse strafwet zeer algemene
delictsomschrijvingen bevat. Artikel 300 Sr volstaat bijvoorbeeld met:
‘Mishandeling
wordt bestraft …’. . Ook het feit dat de delictsomschrijvingen niet in
de Nederlandse
taal zijn gesteld doet niet af aan de duidelijkheid ervan.
14. Wat het vereiste van kenbaarheid van internationaal-rechtelijke
normen alsmede
de mogelijkheid van strafbaarstelling op grond van deze normen betreft, zij
gewezen op
de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de
zaak
Streletz, Kessler en Krenz van 22 maart 2001. Op basis van de bestaande
internationaal-
rechtelijke normen ter bescherming van het recht op leven – het EHRM noemt
in dit
verband onder andere het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en
Politieke
Rechten (IVBPR) – concludeert het Hof dat:
'the applicants’ acts also constituted offences defined with sufficient
accessibility and fore-
seeability by the rules of international law on the protection of human
rights. In addition,
the applicants’ conduct could be considered, likewise under article 7 par.
1 of the Conven-
tion, from the standpoint of other rules of international law, notably those
concerning crimes
against humanity’ (zie Streletz, Kessler and Krenz v. Germany, Judgment of
22 March
2001, par. 105/106).
Strafbaarstelling naar nationaal recht
15. De hoofdofficier van justitie stelt ten onrechte dat - ondanks de
strafbaarheid
naar internationaal recht - foltering en misdrijven tegen de menselijkheid
"als zodanig"
in de periode 1976-1983 in Nederland niet strafbaar waren gesteld (zie
bijlage 3, par.
3.1 en 3.2).
16. Klagers betwisten deze stelling en verwijzen in dit verband naar
de
overwegingen van Uw Gerechtshof in de reeds genoemde beschikking van 20
november
2000 in de zaak D.D. Bouterse (zie par. 5.2, 6.1-6.4). Aanvullend willen
klagers het
navolgende aanvoeren.
17. De hoofdofficier van justitie miskent klaarblijkelijk de
doorwerking van
internationaal recht in de Nederlandse rechtsorde. Deze doorwerking geldt
zowel voor
geschreven als ongeschreven normen (zie Advies, par. 8 -12).
18. Anders dan in de beslissing van de hoofdofficier van justitie
wordt gesteld, geldt
de doorwerking van (ongeschreven) internationaal-rechtelijke normen in de
Nederlandse rechtsorde eveneens indien deze normen plichten aan burgers
opleggen (zie
Advies, par. 13-15). Zulks betekent dat ook internationaal-rechtelijke
delictsomschrijvingen rechtstreekse werking (kunnen) hebben (zie Advies,
par. 16-20).
19. De doorwerking van internationaal-rechtelijke strafnormen ten
aanzien van
foltering en misdrijven tegen de menselijkheid in de Nederlandse rechtsorde
is in
overeenstemming met de internationaal-rechtelijke bepalingen betreffende het
verbod
op terugwerkende kracht van strafnormen zoals neergelegd in het IVBPR en in
het
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele
Vrijheden
(EVRM). In artikel 15 IVBPR, respectievelijk artikel 7 EVRM is vastgelegd
dat
‘niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen
strafbaar
feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het
handelen of nalaten
geschiedde’.
20. Ten eerste valt op te merken dat artikel 15 lid 1 IVBPR,
respectievelijk artikel 7
lid 1 EVRM de strafbaarstelling op basis van internationale normen
uitdrukkelijk
toestaat. Hoewel door deze bepalingen in de eerste plaats wordt beoogd
individuen te
beschermen tegen een te ruime toepassing van de strafwet, kan uit de
formulering van
artikel 15 lid 1 IVBPR, respectievelijk artikel 7 lid 1 EVRM worden afgeleid
dat
strafbaarstelling op grond van een internationale norm nadrukkelijk mogelijk
is gemaakt
en dat, indien deze internationale regel niet is omgezet in een nationale
bepaling, een
dergelijke internationaal-rechtelijke strafbaarstelling niet in strijd is
met het
legaliteitsbeginsel.
21. Ten tweede vallen onder begrip ‘recht’ uit artikel 15 lid 1
IVBPR,
respectievelijk artikel 7 lid 1 EVRM, niet alleen gecodificeerde nationale
en
internationale rechtsnomen maar ook zonder meer het – ongeschreven –
gewoonterecht
(zie met betrekking tot artikel 7, C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, red.,
Strafvordering
Tekst en Commentaar, 1999, bijlage 5, artikel 7, aant. I). Ook in de
rechtspraak van het
EHRM wordt dit uitdrukkelijk bevestigd (zie Streletz, Kessler and Krenz v.
Germany,
par. 50 met verwijzingen naar eerdere uitspraken).
22. De toepassing van het internationaal gewoonterecht is derhalve
gedekt door het
internationale legaliteitsbeginsel van artikel 15 lid 1 IVBPR,
respectievelijk artikel 7 lid
1 EVRM. Nu het verbod van foltering en misdrijven tegen de menselijkheid
vallen
onder het internationale gewoonterecht is een strafbaarstelling op basis van
deze
normen mogelijk en wordt hierdoor het internationale legaliteitsbeginsel
niet
geschonden.
23. Terzijde wordt opgemerkt dat er een uitzondering wordt gemaakt op
het
internationaal-rechtelijke legaliteitsbeginsel indien de strafbare
gedragingen flagrante
schendingen van algemene rechtsbeginselen opleveren. In dit geval geldt het
verbod op
terugwerkende kracht van strafbepalingen uitdrukkelijk niet. Immers, artikel
15 lid 2
IVBPR bepaalt dat artikel 15 lid 1 IVBPR de strafbaarstelling van ‘iemand
die schuldig
is aan het handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of
nalaten geschiedde,
van strafrechtelijke aard was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen
die door de
volkerengemeenschap worden erkend' niet in de weg staat. Een vergelijkbare
beperking
van het legaliteitsbeginsel is te vinden in artikel 7 lid 2 EVRM waarin
wordt bepaald dat
het eerste lid van dit artikel niet in de weg staat aan ‘de berechting en
bestraffing van
iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijd ervan het
handelen of
nalaten, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die
door de
beschaafde volken worden erkend’. Beide bepalingen betekenen een
volkenrechtelijke
erkenning van terugwerkende kracht van bepalingen die evident onrecht
betreffen. Dat
het verbod van foltering en misdrijven tegen de menselijkheid in ieder geval
behoort tot
de categorie van 'algemene rechtsbeginselen' zoals bedoeld in artikel 15 lid
2 IVBPR,
respectievelijk artikel 7 lid 2 EVRM staat buiten twijfel (Strafrecht Tekst
en
Commentaar, 2000, artikel 1, aant. 6).
24. Voorts wordt nog vermeld dat Nederland bij deze bepalingen van
het EVRM en
het IVBPR geen voorbehoud heeft gemaakt. Hierin wijkt Nederland af van
andere
staten die wel een dergelijk voorbehoud hebben gemaakt, zoals bijvoorbeeld
Duitsland.
Blijkens artikel 103 lid 2 van de Duitse Grondwet hanteert Duitsland met
betrekking tot
strafnormen een strikt legaliteitsbeginsel in die zin dat bestraffing
slechts mogelijk is op
basis van een formele nationale wet. Ter vermijding van een conflict tussen
de
internationaal-rechtelijke normen uit artikel 15 lid 2 IVBPR,
respectievelijk artikel 7 lid
2 EVRM enerzijds en de Duitse grondwet anderzijds is een voorbehoud bij deze
bepalingen nodig geacht (zie Jeschek, Lehrbuch des Strafrechts, 1978, p.
104).
Nederland daarentegen is klaarblijkelijk van mening dat strafbaarstelling in
Nederland
rechtstreeks op grond van het internationale gewoonterecht mogelijk is en
dat dit niet in
strijd komt met het legaliteitsbeginsel.
25. Ook de internationale gewoonterechtelijke verboden van foltering
en misdrijven
tegen de menselijkheid werken derhalve in beginsel direct door in de
Nederlandse
rechtsorde. De inwerkingtreding van het VN Folterverdrag in 1984 en de
daarop
volgende inwerkingtreding van de Uitvoeringswet Folterverdrag in 1989 was
dan ook
geen uiting van een gewijzigd inzicht van de Nederlandse wetgever omtrent de
strafwaardigheid van foltering. Het betrof slechts de codificatie van een
reeds lang
bestaande norm.
26. Ten slotte wordt erop gewezen dat het idee van het Nederlandse
legaliteitsbeginsel inhoudende dat de burger de wet moet kunnen kennen hoe
dan ook
een fictie is wanneer het gaat om internationale misdrijven. Bij dergelijke
misdrijven
gaat het in de regel om buitenlandse daders die de Nederlandse taal niet
machtig zijn.
Het vereiste van kenbaarheid van de Nederlandse strafwet zou elke
strafvervolging van
internationale misdrijven uitsluiten. Klagers verwijzen in dit verband naar
het Advies
(par. 31)
artikel 16 Grondwet
27. De hoofdofficier van justitie baseert het transformatievereiste
voor
internationaal-rechtelijke normen met name op het legaliteitsbeginsel van
artikel 16
Grondwet (bijlage 3, par. 1.3).
28. Ten eerste moet worden betwijfeld of een beroep op artikel 16
Grondwet ten
aanzien van internationaal-rechtelijke normen aangewezen is. Immers, men zou
kunnen
argumenteren dat in dat geval het nationale legaliteitsbeginsel dient te
worden
vervangen door het internationale legaliteitsbeginsel uit artikel 15 IVBPR,
respectievelijk artikel 7 EVRM (zie Advies, par. 30-38).
29. Maar zelfs indien artikel 16 Grondwet toepasselijk wordt geacht
dan moet bij de
interpretatie van dit artikel rekening worden gehouden met
internationaal-rechtelijke
bepalingen. Immers, in beginsel prevaleert het internationale recht boven
nationale
wetgeving. Er moet derhalve vanuit worden gegaan dat in voorkomende gevallen
artikel
16 Grondwet wordt geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van
artikel
15 IVBPR, respectievelijk artikel 7 EVRM (zie P.W.C. Akkermans, De Grondwet,
1987, artikel 16, aant. II.2). Voor een uitvoerige uiteenzetting met
betrekking tot de
interpretatie van artikel 16 verwijzen wij naar het Advies (zie Advies, par.
10-38).
30. In dit verband wordt nog opgemerkt dat artikel 16 Grondwet pas
met de
Grondwetsherziening van 1983 is ingevoerd en derhalve van latere datum is
dan zowel
het IVBPR als het EVRM. Indien de grondwetgever in 1983 het internationale
legaliteitsbeginsel in artikel 15 IVBPR en artikel 7 EVRM op nationaal
niveau had
willen aanscherpen en de mogelijkheid van strafbaarstelling op basis van
internationaal
gewoonterecht had willen uitsluiten – verondersteld dat het mogelijk is
door nationale
wetgeving internationale normen buiten werking te stellen – dan had een
uitdrukkelijke
bepaling hieromtrent in de rede gelegen. Nu zulks niet is gebeurd, dient bij
de
interpretatie van artikel 16 Grondwet rekening te worden gehouden met de
internationaal-rechtelijke normen van het IVBPR en het EVRM.
31. Voor de betekenis van het internationaal recht voor de
interpretatie van het
nationale legaliteitsbeginsel verwijzen wij nadrukkelijk naar de
bovengenoemde
uitspraak van het EHRM inzake Streletz, Kessler en Krenz van 22 maart 2001.
32. Geconcludeerd wordt dat artikel 16 Grondwet de directe werking
van
internationale (gewoonterechtelijke) strafnormen niet in de weg staat.
artikel 1 Wetboek van Strafrecht
33. De hoofdofficier van justitie stelt dat het transformatievereiste
eveneens
voortvloeit uit artikel 1 Sr. Evenals met betrekking tot artikel 16 Grondwet
kan in
twijfel getrokken worden of artikel 1 Sr toepasselijk is op
internationaal-rechtelijke
delictsomschrijvingen. Maar ook indien de vraag naar de toepasselijkheid van
artikel 1
Sr bevestigend wordt beantwoord, tast dit artikel de conclusie, dat de in de
aangifte
genoemde feiten in Nederland strafbaar zijn, niet aan.
34. Artikel 1 Sr bepaalt dat voor strafbaarheid van een feit een
‘voorafgegane
wettelijke strafbepaling’ is vereist. De term ‘wettelijke
strafbepaling’ slaat op alle
legislatieve producten. Uitdrukkelijk is erkend dat naast wetten in formele
zin en
AMvB’s, hieronder tevens vallen alle mogelijke soorten lagere wetgeving,
zoals
provinciale en gemeentelijke verordeningen (D. Hazewinkel-Suringa/J.
Remmelink,
Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, 12e druk, 1991, p.
453; C. Kelk,
Materieel Strafrecht, p. 69). Er is geen grond om aan te nemen dat hogere
regelgeving
van internationaal recht niet als ‘wettelijke bepaling’ in de zin van
artikel 1 Sr zou
kunnen worden beschouwd.
35. Deze lezing van de term ‘wettelijke strafbepaling’ in art. 1
Sr - dat internationale
strafbepalingen vallen onder het begrip 'recht' - is in overeenstemming met
artikel 7
EVRM. De relevantie van deze bepalingen van het EVRM voor de interpretatie
van
artikel 1 Sr wordt duidelijk aangegeven door Remmelink. Bij de bespreking
van de
reikwijdte van het begrip ‘wettelijke strafbepaling’ in art. 1 Sr stelt
hij:
‘het feit [moet] m.i. ten tijde, dat het werd begaan volgens het geldend
recht, geschreven of
niet, een strafbaar feit zijn, althans – deze uitzondering maakt ook het
tweede lid van art. 7
EVRM – moet het een misdrijf zijn overeenkomstig de algemene
rechtsbeginselen welke
door de beschaafde volken worden erkend’ (Hazewinkel-Suringa/Remmelink, p.
452).
Datzelfde geldt volgens Remmelink voor artikel 15 lid 2 IVBPR (id.).
36. Aansluitend hierbij dient te worden opgemerkt dat foltering en
misdrijven tegen
de menselijkheid in de periode van 1976 tot 1983 in Nederland strafbaar
waren als
commune delicten, te weten mishandeling en moord. Ook het Argentijnse recht
kende
deze feiten. Nooit kan derhalve worden gesteld dat een pleger van foltering
en
misdrijven tegen de menselijkheid niet wist dat hij iets ernstigs
strafwaardigs deed.
37. In dit verband dient ook kort te worden ingegaan op het
Buitengewoon Besluit
Strafrecht (BBS), van 22 december 1943. Op grond van de volkenrechtelijke
erkenning
van terugwerkende kracht van bepalingen die evident onrecht betreffen, welke
erkenning is verwoord in artikel 15 lid 2 IVBPR, respectievelijk in artikel
7 lid 2
EVRM, is te verklaren dat men in het door onze Regering in Londen
uitgevaardigde
BBS heeft aangenomen. In dit Besluit werden onder andere misdrijven tegen de
menselijkheid met terugwerkende kracht strafbaar gesteld. Artikel 1 Sr was
hier buiten
werking gesteld (art. 3 BBS). In het arrest Rauter (die ter dood is
veroordeeld) wordt in
dit verband geconcludeerd:
‘verdachte beweert ten onrechte, dat het misdadig karakter van dergelijke
handelingen eerst
thans, achteraf, is vastgesteld, immers hij verliest daarbij uit het oog,
dat die overtredingen
sedert lange tijd overal ter wereld bekend staan als oorlogsmisdrijven,
crimes de guerre, war
crimes, Kriegsverbrechen enz., terwijl ook reeds voor de Tweede Wereldoorlog
ter zake van
zodanige feiten in verschillende landen, waaronder Duitsland, strafoplegging
heeft
plaatsgehad’ (Bijzondere Raad van Cassatie, 12 januari 1949, NJ 1949, 87).
38. Het arrest Rauter is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak
nu het in dit
arrest ging om de toepassing van rechtsbeginselen in Nederland die toen
internationaal-
rechtelijk weliswaar als algemene rechtsbeginselen in de zin van artikel 15
lid 2 IVBPR,
respectievelijk artikel 7 lid 2 EVRM werden beschouwd maar (nog) niet de
status van
gewoonterecht hadden. Nu geen beroep gedaan kon worden op een voorafgegane
wettelijke strafbepaling van het gewoonterecht, achtte men het noodzakelijk
om in het
BBS uitdrukkelijk artikel 1 Sr buiten werking te stellen. In casu gaat het
daarentegen
om de toepassing in de Nederlandse rechtsorde van reeds bestaande
internationale
gewoonterechtelijke regels, en blijven we derhalve binnen de grenzen van het
legaliteitsbeginsel.
39. Hieraan doet ook niet af dat de Nederlandse wetgever bij de
Grondwetherziening
van 1983 het Additioneel artikel IX heeft opgenomen. In dit verband
verwijzen wij naar
het Advies (zie Advies, par. 21-25).
40. Wél is het arrest Rauter in die zin van belang dat het aangeeft
dat Nederland de
uitzondering van het verbod op terugwerkende kracht overeenkomstig de
algemene
rechtsbeginselen voor bepaalde misdrijven reeds toen heeft erkend, en
directe
toepassing werd gegeven aan deze rechtsbeginselen. Er zijn geen goede
argumenten aan
te voeren voor de uitsluiting in de Nederlandse rechtsorde van
internationale
gewoonterechtelijke regels – waarin de algemene rechtsbeginselen zich
sinds de
Tweede Wereldoorlog hebben ontwikkeld – die bepaalde misdrijven strafbaar
stellen.
Wet Oorlogsstrafrecht
41. Met betrekking tot de strafbaarstelling van misdrijven tegen de
menselijkheid
willen klagers ten slotte nog het volgende opmerken. De hoofdofficier van
justitie stelt
ten onrechte dat dit delict in de Wet Oorlogsstrafrecht van 10 juli 1952
(WOS) niet
apart omschreven is als strafbaar gestelde categorie. Immers, de
strafverzwarende
omstandigheid van artikel 8 lid 3 nummer 5 spreekt uitdrukkelijk van een
strafbaar feit
dat 'uiting is van een politiek van stelselmatig terreur of wederrechtelijk
optreden tegen
de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan' (zie voor de definitie
van
misdrijven tegen de menselijkheid ook in L. Zegveld, Armed opposition groups
in
international law: the quest for accountability, diss. 2000, verschijnt bij
Cambridge
University Press, zomer 2001, p. 245). Met andere woorden, misdrijven tegen
de
menselijkheid zijn als schending van de wetten en gebruiken van de oorlog
zoals
bedoeld in artikel 8 lid 1 WOS strafbaar gesteld.
42. Weliswaar is de WOS in beginsel slechts van toepassing tijdens
een gewapend
conflict en verbiedt het legaliteitsbeginsel een toepassing van de strafwet
die leidt tot
uitbreiding van strafbaarheid. Maar dat betekent niet dat een interpretatie
van de WOS
niet kan leiden tot een strafbaarstelling van misdrijven tegen de
menselijkheid in
vredestijd. Door de strafbaarstelling van misdrijven tegen de menselijkheid
in vredestijd
vindt namelijk geen uitbreiding van de strafbaarheid plaats. Immers, een
gewapend
conflict is een uitzonderingssituatie waarin een groot aantal van de in
vredestijd
strafbaar gestelde handelingen zijn toegestaan. Zo is bijvoorbeeld tijdens
een gewapend
conflict het doden van een militaire tegenstander niet strafbaar als
doodslag of moord.
De WOS beperkt de in een gewapend conflict toegelaten handelingen en bepaalt
welke
handelingen ook in de uitzonderingssituatie van een gewapend conflict
strafbaar blijven.
Met andere woorden, de in de WOS omschreven feiten worden als zo ernstig
beschouwd dat deze zelfs in een gewapend conflict strafbaar zijn gesteld.
43. Dat de in de WOS omschreven feiten buiten de
uitzonderingssituatie van een
gewapend conflict niet straffeloos kunnen zijn, spreekt derhalve voor zich.
Immers,
feiten die zo ernstig zijn, dat deze zelfs ten tijde van een gewapend
conflict niet zijn
geoorloofd, moeten zonder meer strafbaar zijn wanneer de uitzondersituatie
van een
gewapend conflict niet van toepassing is. Hieruit volgt dat misdrijven tegen
de
menselijkheid ook in vredestijd in Nederland strafbaar zijn gesteld.
Conclusie
44. De conclusie is dat de in de aangifte genoemde feiten gepleegd in
de periode van
1976 tot 1983 in Argentinië reeds ten tijde van het plegen van de delicten
in Nederland
strafbaar waren gesteld.
Rechtsmacht van Nederland
45. De hoofdofficier van justitie concludeert ten onrechte dat
Nederland geen
rechtsmacht heeft voor de vervolging en berechting voor de in de aangifte
genoemde
strafbare feiten.
Rechtsmacht naar internationaal recht
46. De jurisdictie van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in
de aangifte
genoemde feiten vloeit op internationaal niveau in de eerste plaats voort
uit het
gewoonterecht. Een staat is volgens dit recht zoals dat gold in de periode
van 1976 tot
1983 bevoegd universele rechtsmacht uit te oefenen ten opzichte van
individuen
verdacht van foltering en misdrijven tegen de menselijkheid. Dit concludeert
prof.
Dugard in zijn bovengenoemde opinie en Uw Gerechtshof verenigt zich in de
beschikking van 20 november 2000 met deze conclusie.
47. Ten aanzien van foltering vormt naast het internationaal
gewoonterecht ook het
verdragsrecht een bron van rechtsmacht voor de nationale rechter. Het VN
Folterverdrag van 1984 bepaalt in artikel 5 dat iedere staat, die partij is
bij het Verdrag,
foltering mag vervolgen ongeacht de nationaliteit van de verdachte en de
plaats van het
delict. Indien de verdachte aanwezig is op het grondgebied van een
partij-staat is deze
staat verplicht, indien hij de verdachte niet uitlevert, hem te vervolgen.
Nederland is
sinds 1989 partij bij het VN Folterverdrag.
48. De jurisdictiebepalingen in het VN Folterverdrag zien ook op
gedragingen van
vóór 1989. Nu deze bepalingen puur procedureel van aard zijn, wordt
hiermee niet het
legaliteitsbeginsel geschonden. Het doel van het VN Folterverdrag was juist
om
foltering gepleegd vóór 1984, en toen reeds in strijd met het
internationaal
gewoonterecht, te berechten en te bestraffen. Ter ondersteuning van dit
standpunt
verwijst prof. Dugard in zijn bovengenoemde opinie naar
uitleveringsverdragen die van
toepassing zijn ook op misdrijven gepleegd vóórdat deze verdragen in
werking zijn
getreden. Voorwaarde voor uitlevering is slechts dat de gedraging waarvoor
wordt
uitgeleverd reeds strafbaar was gesteld op het moment van het begaan.
Rechtsmacht naar nationaal recht
49. Zoals hierboven met betrekking tot de materiële
strafbaarstelling reeds
uiteengezet, werken regels van internationaal gewoonterecht direct door in
het
Nederlandse recht.
50. De directe doorwerking geldt, zoals gezegd, ook voor
gewoonterechtelijke regels
die beperkend zijn voor de burger. Klagers verwijzen terug naar par. 17 tot
en met 19
van dit klaagschrift en de daarbij behorende verwijzingen naar het Advies.
De
bevoegdheid van de Nederlandse staat op grond van het gewoonterecht om de in
de
aangifte genoemde personen te vervolgen voor foltering en misdrijven tegen
de
menselijkheid is derhalve onderdeel van het Nederlandse recht.
51. Ten aanzien van het verdragsrecht bepaalt artikel 93 Grondwet dat
‘bepalingen
van verdragen … die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, …
verbindende
kracht [hebben] nadat zij zijn bekendgemaakt’. Dit geldt ook voor
verdragsbepalingen
die niet begunstigend zijn voor de burger, maar waarvan het de toepassing
moet dulden,
'ook als daarmee zijn rechtspositie wordt aangetast' (Grondwet Tekst en
Commentaar,
1998, artikel 93, aant. 3). Het zal duidelijk zijn dat de bepalingen uit het
VN
Folterverdrag ‘een ieder verbindende bepalingen’ zijn, of anders gezegd,
rechtstreekse
werking hebben, nu het de uitdrukkelijke bedoeling van de partij-staten was
om
individuele folteraars op grond van dit verdrag te vervolgen en te
berechten. Het feit dat
het Verdrag zich in de eerste plaats richt tot de staat doet hieraan niet af
(Grondwet
Tekst en Commentaar, 1998, artikel 93, aant. 4). Noch is het relevant dat de
bepalingen
van het Folterverdrag in nationale wettelijke bepalingen zijn omgezet (id.).
52. De doorwerking in het Nederlandse recht van gewoonterechtelijke
en
verdragsrechtelijke jurisdictiebepalingen is in overeenstemming met artikel
15 lid 1
IVBPR en artikel 7 lid 1 EVRM. Op grond van deze bepalingen kan de
strafbaarheid
van gedragingen tevens voortvloeien uit (geschreven en ongeschreven)
internationale
regels. Er is geen grond voor het argument dat dit niet tevens geldt voor de
rechtsmachtnormen die noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke bestraffing
van deze
gedragingen.
53. Artikel 15 lid 2 IVBPR en artikel 7 lid 2 EVRM bieden bovendien
ondersteuning voor het argument dat het temporele bereik van de
rechtsmachtnormen in
het VN Folterverdrag zich uitstrekt over foltering gepleegd vóór 1989, in
welk jaar dit
Verdrag voor Nederland in werking trad. Deze bepalingen vormen een
uitzondering op
het legaliteitsbeginsel nu ze erkennen dat berechting ook mogelijk is op
grond van ‘de
algemene rechtsbeginselen door de beschaafde volken erkend’. Deze regel is
een
overgangsbepaling om het mogelijk te maken om misdrijven gepleegd in de
Tweede
Wereldoorlog te bestraffen, ongeacht de vraag of deze bestraffing mogelijk
was op
grond van toen geldend internationaal recht. Het zal duidelijk zijn dat voor
de
bestraffing van internationale misdrijven zoals beoogd in deze bepalingen
tevens
rechtsmacht nodig is, waarvan het net als ten aanzien van de materiële
strafbepalingen
onzeker was, of deze in de Tweede Wereldoorlog bestond.
Rechtsmacht en legaliteitsbeginsel ten aanzien van foltering
54. In het voorgaande werd beargumenteerd dat de rechtsmacht van de
Nederlandse
rechter direct uit verschillende - geschreven en ongeschreven - bronnen van
internationaal recht voortvloeit. De rechtsmacht op grond van het
internationaal
gewoonterecht, bestond reeds vóór de periode 1976-1983, dus voordat dat de
in de
aangifte genoemde strafbare feiten werden gepleegd.
55. Indien Uw Gerechtshof er echter vanuit gaat dat de
internationaal-rechtelijke
jurisdictiebepalingen geen directe werking hebben in het Nederlandse recht
dan geldt
ten aanzien van het delict foltering dat de rechtsmacht van Nederland
(tevens)
voortvloeit uit de universele rechtsmacht zoals deze is neergelegd in het VN
Folterverdrag en in de Uitvoeringswet Folterverdrag. Weliswaar dateert de
Uitvoeringswet Folterverdrag van ná de periode 1976 tot 1983 maar dit staat
de
berechting van deze delicten niet in de weg, nu het bestaan van een
anterieure bepaling
geen voorwaarde is voor de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse
rechter.
56. Immers, het legaliteitsbeginsel van artikel 16 Grondwet en
artikel 1 Sr, waarin is
vervat de voorwaarde van een voorafgaande wettelijke strafbepaling, is niet
van
toepassing op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Dit standpunt wordt
door
verschillende Nederlandse auteurs ingenomen. Zo stelt Van Dorst:
'artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 (1) van het Sr ... [eisen] slechts
een wettelijke
regeling … voor het vestigen van strafbaarheid van de feitelijk gedraging
(zodat het
rechtstreekse toepassing mist bij de verjaring en ook bij een onderwerp als
de regeling van
rechtsmacht)' (A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot
strafvordering, 1985, p. 104;
zo ook, J. De Hullu, Materieel Strafrecht, 2000, p. 95,
Hazewinkel-Suringa/Remmelink, p.
457, 461 en 505).
Cleiren en Nijboer delen deze visie in hun commentaar op artikel 1 Sr:
'Niet kan worden gesteld dat het verbod van terugwerkende kracht in zijn
algemeenheid
geldt voor veranderingen die betrekking hebben op de vervolgbaarheid”
(Strafrecht Tekst
en Commentaar, 2000, artikel 1, aant. 7).
57. In dit verband wijzen klagers tevens op een uitspraak van het
Duitse
Bundesverfassungsgericht van 26 februari 1969 (zie BverfGE 25, 269) waarin
de vraag
wordt gesteld of de wijziging van het verjaringstermijn mag worden toegepast
op
delicten die vóór de wijziging zijn gepleegd. Het Bundesverfassungsgericht
komt tot de
conclusie dat het nationale legaliteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel
103 lid 2 van
de Duitse Grondwet niet geldt ten aanzien van de wijziging van het
verjaringstermijn:
'Nach Artikel 103 Abs. 2 GG kann eine Tat nur dann bestraft werden, wenn die
Strafbarkeit
gesetzlich bestimmt war, bevor die Tat begangen wurde. (…) Artikel 103
Abs. 2 GG besagt
dagegen nichts über die Dauer des Zeitraums, während dessen eine (…) Tat
verfolgt werden
darf. (…) Die Strafbarkeit einer Tat ist Voraussetzung für deren
Verfolgbarkeit. (…) Mit der
Strafbarkeit entfällt die Verfolgbarkeit, nicht dagegen mit der
Verfolgbarkeit die
Strafbarkeit. (…) Art. 103 Abs. 2 GG bestimmt die Voraussetzungen, unter
denen ein
Verhalten für strafbar erklärt werden darf. Verjährungsvorschriften
regeln wie lange eine für
strafbar erklärte Tat verfolgt werden soll. Da sie lediglich die
Verfolgbarkeit betreffen, die
Strafbarkeit dagegen unberührt lassen, fallen sie aus dem Geltungsbereich
des Art. 103 Abs.
2 GG heraus' (zie BverfGE 25, 269, p. 285/286).
58. In het kader van de vraag of door de toepassing van
gecodificeerde
rechtsmachtregels op delicten die vóór het in kracht treden van deze
regels zijn
gepleegd het legaliteitsbeginsel zou zijn geschonden, verwijzen klagers
voorts naar de
uiteenzettingen van prof. Dugard in zijn bovengenoemde opinie van 7 juli
2000 over het
verschil tussen retroactieve en retrospectieve wetgeving. Uw Gerechtshof
sluit zich in
de beschikking van 20 november 2000 overgenomen aan bij deze overwegingen
(zie
par. 6.3 en 6.4). Aanvullend merken klagers op dat het verschil tussen
retroactieve en
retrospectieve wetgeving - én het gevolg dat retrospectieve wetgeving niet
in strijd is
met het legaliteitsbeginsel - reeds begin jaren 60 werd aanvaard door het
Duitse
Bundesverfassungsgericht (zie BverfGE 11, 139, p. 145).
59. Het feit dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten
aanzien van de in de
aangifte genoemde delicten volgt uit geschreven wettelijke bepalingen welke
van kracht
zijn geworden ná de periode van 1976 tot 1983, te weten het VN
Folterverdrag en de
Uitvoeringswet Folterverdrag, wordt niet aangetast door het arrest Knezevic
dat de Hoge
Raad op 11 november 1997 heeft gewezen (zie NJ 1998, 463). De Hoge Raad
stelt hier
slechts de eis dat blijkt dat de nationale wetgever heeft bedoeld dat in
Nederland
gebruik zal worden gemaakt van de rechtsmacht zoals die voortvloeit uit het
internationale recht. De Hoge Raad neemt daarbij voor lief dat die bedoeling
soms
ongelukkig of onduidelijk uitgedrukt kan zijn. Hieruit kan een uitbreiding
van het
legaliteitsbeginsel niet afgeleid worden. Voor verdere bespreking van dit
punt zij
verwezen naar het Advies (par. 47-50).
60. De conclusie dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op
grond van nadien
tot stand gekomen wettelijke bepalingen is geheel in lijn met de huidige
internationale
ontwikkeling. De ad hoc straftribunalen voor het Voormalig Joegoslavië en
voor
Rwanda zijn beide opgericht om eerder begane misdrijven te berechten. Voor
zover de
jurisdictie van deze tribunalen niet reeds voortvloeit uit het
internationaal
gewoonterecht, is de rechtsmacht van deze tribunalen geregeld in de statuten
van de
tribunalen, welke statuten zijn geschreven nadat de te berechten misdrijven
waren
begaan. Net als het VN Folterverdrag beogen deze statuten niet het creëren
van nieuwe
materiële strafbepalingen, maar beogen ze de berechting van deze - uit het
internationale recht voortvloeiende - strafbepalingen veilig te stellen.
61. De bepalingen in het Statuut van het Permanent Strafhof dat dit
Hof geen
rechtsmacht zal hebben ten aanzien van misdrijven gepleegd vóór de
inwerkingtreding
van het Statuut (zie de artikelen 11, 22 en 24 van het Statuut) zijn in dit
verband
irrelevant. Het verbod van terugwerkende kracht van de jurisdictie van het
Strafhof is
opgenomen, omdat een aantal van de in het Statuut neergelegde materiële
misdrijven op
het moment van het totstandkomen van het Statuut nog niet behoorden tot het
internationale gewoonterecht en tevens niet voor alle staten bindend waren
als
verdragsrecht. Om te voorkomen dat het Strafhof jurisdictie zou krijgen over
misdrijven
die op het moment van begaan niet in alle staten strafbaar waren - wat wél
een
schending van het legaliteitsbeginsel zou betekenen - was het noodzakelijk
om de
rechtsmacht van het Strafhof naar tijd te beperken, namelijk alleen voor
toekomstige
feiten die onder het Statuut strafbaar zijn gesteld (zie L. Zegveld, p. 240,
zo ook, H.
Fischer, The International Criminal Court: a critical review of the results
of the Rome
Conference, paper gepresenteerd op het symposium ter ere van Rechter
Cassese,
Erasmus Universiteit, 5 november 1998, p. 3-5).
Voor een verdere bespreking van de relevantie van het Statuut van het
permanent
Strafhof verwijzen klagers naar het Advies (par. 57-66).
62. Met betrekking tot foltering geldt derhalve dat Nederland in
ieder geval op basis
van het VN Folterverdrag en de Uitvoeringswet Folterverdrag rechtsmacht
heeft voor
het vervolgen en berechten van dit delict, gepleegd in de periode van 1976
tot 1983.
Rechtsmacht en legaliteitsbeginsel ten aanzien van misdrijven tegen de
menselijkheid
63. Klagers verwijzen Uw Gerechtshof naar de bovengevoerde
argumentatie met
betrekking tot de WOS (zie boven, par. 41 en 42) die ook ten aanzien van de
rechtsmacht van Nederland geldt.
Conclusie
Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat Nederland rechtsmacht heeft ten
aanzien
van de vervolging en berechting van de in de aangifte genoemde strafbare
feiten.
Slotsom
64. Ten slotte willen klagers nog enkele algemene opmerkingen maken.
Klagers
hechten eraan Uw Gerechtshof erop te wijzen dat het standpunt van de
hoofdofficier
van justitie over het ontbreken van rechtsmacht van Nederland voor
misdrijven tegen de
menselijkheid, gepleegd in de periode van 1976 tot 1983, vergaande gevolgen
zal
hebben. Immers, anders dan met betrekking tot het delict foltering, is de
wetgeving in
Nederland ten aanzien van misdrijven tegen de menselijkheid ook ná 1983
niet
gewijzigd. Tot op heden ontbreekt er nog steeds een met de Uitvoeringswet
Folterverdrag vergelijkbare nationale wet waardoor de strafbaarstelling van
misdrijven
tegen de menselijkheid en de rechtsmacht voor de vervolging van deze
delicten
getransformeerd zijn in Nederlandse wetgeving. Nog steeds is zulks
uitdrukkelijk
slechts gebeurd voor misdrijven tegen de menselijkheid gepleegd tijdens een
gewapend
conflict.
65. Met andere woorden, volgt men het standpunt van de hoofdofficier
van justitie
dan zijn misdrijven tegen de menselijkheid die niet tijdens een gewapend
conflict zijn
gepleegd in Nederland thans niet strafbaar en kunnen deze niet worden
vervolgd. Dit
geldt zowel voor misdrijven tegen de menselijkheid die in het - verre of
recente -
verleden zijn gepleegd als ook voor het plegen van dit delict in de
toekomst. Deze
uitkomst is naar de mening van klagers onacceptabel. Dit des te meer gezien
het feit dat
in de Nederland omringende landen misdrijven tegen de menselijkheid wél
strafbaar
zijn en ook vervolgd worden. Klagers wijzen in dit kader naar Duitsland,
Spanje,
Frankrijk en Italië waar reeds een begin is gemaakt met de vervolging en
berechting - en
in sommige gevallen ook veroordeling - van leden van de Argentijnse Regering
en het
Argentijnse leger die in de periode 1976 tot 1983 misdrijven tegen de
menselijkheid
hebben gepleegd.
Reden waarom
Klagers Uw Gerechthof verzoeken de vervolging van de in de aangifte genoemde
strafbare feiten te bevelen.
Amsterdam, 30 maart 2001
Dr. B. Böhler Dr. L. Zegveld
|